Reformatie en Heksery

Refomation and Witchcraft

Westdorp's Take

Schelhaas's rebuttal

Jacob Cats

René's Synopsis
Reformation and Witchcraft

Extract
Geschiedenis -Westvoorne (Goeree) van 1550-1800

www.flakkee.net

De reformatie in Goedereede voltrok zich zonder veel spektakel. De laatste pastoor, Jacob Doense, vertrok in 1572 en de eerste gereformeerde dominee was een gewezen monnik, Albertus Alardi Jansen geheten, die in 1574 kwam en tot 1577 bleef. Aangezien voor Ouddorp geen predikant te vinden was, had hij twee gemeenten onder zijn hoede. Toen na 1572 de opstand tegen Spanje snel om zich hen greep en de kerken zich in een even snel tempo hervormden, kwam er een groot tekort aan gereformeerde dominees. Dat was logisch aangezien er geen opleidingsscholen voor dominees bestonden. Om die reden gaf Prins Willem I in 1575 Leiden het recht een universiteit te stichten, die in aanleg eigenlijk een hogeschool voor predikanten was.

Tot de tijd dat men voldoende afgestudeerden had moest men zich in de kerken behelpen met een verscheidenheid aan waarnemers. In de eerste plaats waren dat pastoors en andere voormalig Rooms-katholieke geestelijken, die tot de nieuwe leer waren overgegaan. Verder stonden er veel mensen op de kansel die door zelfstudie zich in de godsdienst hadden bekwaamd. Vaak waren dat schoolmeesters.

Toch was dit alles niet voldoende en waren er nog tientallen jaren voor nodig voor alle predikantsplaatsen bezet waren. Zo werd in Ouddorp pas in 1595 een dominee bevestigd. Ook was het moeilijk om leden voor de kerkenraad te krijgen. De Katholieke kerk is hiërarchisch georganiseerd, dat wil zeggen dat de Paus aan het hoofd staat en de zeggenschap van boven naar beneden stroomt. Na de reformatie loopt die stroom de andere kant op: de kerkleden kiezen hun bestuur ­ de kerkenraad ­ die afgevaardigden kiezen om hen te vertegenwoordigen op de classis en zo verder tot het hoogste orgaan van de kerk: de Generale Synode.

Komend uit een tijd waarin de kerk elke invloed van de leek op de leer had afgewezen en bestreden, bestond er allerwegen schroom om een zo verantwoordelijke post te bezetten. Ook in deze duurde het tientallen jaren voor de kerkenraden volledig bemand waren, ook in de meest letterlijke zin want vrouwen waren in die colleges de eerste eeuwen nog niet welkom.

Over de verdeling van de kerkelijke goederen en de betaling van de dominees is dat derde kwart van de 16e eeuw nog veel te doen geweest. De Katholieke kerk had vele bezittingen, die alle geconfisceerd werden: het grote graaien kon beginnen!

Alle bezittingen van kloosters vielen aan de Staten, die deze te gelde maakten. De kerkgebouwen en andere bezittingen gingen meestal over naar de nieuw gestichte hervormde kerken. De betaling van de dominees was niet zoals die van de pastoors gebaseerd op de opbrengst van een stuk land, maar veelal op de opbrengst van de tweede collecte. Dit leverde een ongewis en vaak karig salaris op, dat werd aangevuld door vrij wonen en de opbrengst van een moestuin. Verder kwamen er uit de gemeente giften in natura van de slacht en de oogst.

The reformation in Goedereede took place without much ado. The last pastor, Jacob Doense, departed in 1572 and the first reformed minister was a former monk by the name of Albertus Alardi Jansen, who arrived in 1574 and stayed until 1577. As a preacher could not be found for Ouddorp he was responsible for two congregations. When after 1572 the rebellion against Spain burgeoned and the churches reformed themselves at equal speed, one result was a great shortage of reformed clergy. This was due to the the fact that no schools existed to train such clergy. It is for this reason Prince Willem I gave Leiden the right to found a university in 1575, which actually was meant to provide higer education for clergy..

Until such time that enough graduates would be available the churches had to make do with a variety of substitutes. These were mainly pastors and other former Roman Catholics of a spiritual bent, who had gone over to the new philosophy. Besides them, many occupied the pulpit who had been self-taught in religion. Often these were schoolmasters.

Yet all these were not sufficient and decades more would be needed before all minister's positions would be filled. Ouddorp did not have its own minister confirmed until 1595. It was also difficult to get members to serve in church council. De Catholic Church is organized in a hierarchical manner, that is to say that with the Pope at the helm all authority flows down from him. After the reformatipn the current is reversed: the church members elect their governance ­ the church council ­ who choose representatives to speak for them on the classis and so forth up to the highest level: the General Synod.

Coming in a time where the church had rejected and fought any influence of the layman on the creed, there now existed all kinds of opportunity to occupy a position of responsibility. Here as well it took many years before the church councils were fully manned, in the literal sense as women for the first few centuries were not welcome in the colleges.

In that third quarter of the centuries there were major issues dealing with the posessions of the church and the salaries of the clergy. The Catholic church had many assets which were all confiscated: the big free-for--all could begin!

All assets of the monasteries whent to the States, and were turned into cash. The church buildings and realted assets msotly transfered to the newly reformed churches. The salary of the the ministers was not like that of the pastors based on the income from a piece of land, but mostly on the result of the second church collection. This made for an uncertain and often meagre salary, which as subsidised through free living accomodation door and income from a vegetable garden. Anf from the congregation came gifts in natura from butchering and harvest.

Geloof en Bijgeloof

De oude leer van Rome was nu aan de kant gezet en de nieuwe leer van Calvijn werd van de kansel verkondigd, maar er was iets dat onder beide leefde: de angst voor en de strijd tegen machten der duisternis. Die zag men belichaamd in tovenaars, heksen, bezetenen en een heel scala aan boosaardige gedrochten zoals aardmannetjes, kobolds, witte wieven, dwaallichten, beelwitten, moeras- en andere geesten. De gevaarlijkste was echter de Duivel zelf, die vrouwen trachtte te verleiden tot bijslaap en die hij een lichamelijk merkteken gaf en ook een deel van zijn kwade kunsten.

Zowel de oude als de nieuwe kerk erkende het bestaan van mensen die door de duivel bezeten waren en die daardoor bovennatuurlijke gaven en soms bovenmenselijke kracht hadden en die door uitdrijving genezen moesten worden. Ook erkenden zij het bestaan van mensen die een pact met de Boze gesloten hadden en die er naar streefden God en de naaste zoveel mogelijk kwaad te doen. Hen noemde men tovenaars, heksen en duivelaanbidders. Van deze drie moet gezegd worden dat de laatste categorie inderdaad bestond. Er zijn goed gedocumenteerde geschiedenissen bekend ­ met name uit Amsterdam in de 16e en 17e eeuw ­ die vertellen van zwarte missen en lugubere rituelen door deze mensen gehouden.

Bij het gewone volk had de reformatie dit bijgeloof in 't geheel niet aangetast ­ het bleef zelfs in afnemende mate in stand tot in het eerste kwart van de 20e eeuw - maar in hogere kringen en onder meer verlichte dominees bestond een groeiende scepsis tegen de buitenissige bekentenissen die vaak door marteling waren afgedwongen.

Sedert halverwege de middeleeuwen groeide de macht der pausen en ook de macht der geestelijke rechtspraak, aan wie het berechten van ketters en heksen was voorbehouden. Verweer tegen de aantijgingen was moeilijk, één of enkele ­ soms dubieuze ­ klagers of getuigen waren al voldoende een proces in gang te zetten en bij onvoldoende bewijs mochten bekentenissen onder foltering worden afgedwongen. Verdediging van de beklaagde stond gelijk aan medeplichtigheid, sympathiebetuigingen van verwanten eveneens. Wie schuldig werd bevonden aan ketterij of toverij mocht blij zijn met verbanning, maar kreeg vaak de doodstraf, die meestal op de brandstapel ten uitvoer werd gelegd.

Omstreeks 1230 werd in Europa de eerste heks verbrand, maar in Nederland ­ wat zich in hun vervolging heel terughoudend opstelde ­ pas in 1472. Bovendien gaf Karel V het wereldlijk gerecht de macht om tegen toverij op te treden, wat matigend werkte op de hysterische uitwassen van de heksenjacht door geestelijke rechtbanken. Ook kwam er in onze streken in de 15e eeuw toezicht van schepenen op de pijniging, om excessen te beperken.

Belief and Superstitious

The old teachings of Rome were set aside and the new treachings of Calvin were now proclaimed from the pulpit, but something else lived under both creeds: the fear of and the battle against the powers of darkness. These one could see embodied in magicians, witches, the possessed and a magnitude of evil creatures such as gnomes, kobolds, white wives, swamp lights, trolls and other such spirits. The most dangerous was the devil himself, who attempted to seduce women to lay with him after which he would give them a mark on their body and let them share his evil powers.

Both the old church and the new church acknowledged teh existence of persons who were possessed by the Devil and therefore had supernatural talents and sometimes inhuman powers and who needed to be healed through exorcism. Both also recognised there were individuals who hade made a pact with the Evil One and who strove to do as much harm as they could to God and those with Him. Those were called magicians, witches and devil worshippers. It has to be said that of these three the latter actually exitsed. Well documented stories­specifically of Amsterdam in de 16th en 17th centuries­tell of black mass and lugubrious rituals performed by these individuals.

The reformation had had no effect whatsoever on these beliefs held by ordinary folk­to a lesser degree it would even persist into the first quarter of the twentieth century- but in higher circles en under more enlightened ministers existed a growing scepticism against the bizarre confessions often obtained through torture.

From half way through the middle ages the power of the Papacy grew as did the power of the inquistion, to whom fell the judging and sentencing of heretics and witches. Defence against these accusations was difficult, only one of a few­ some dubious ­ complainants or witnesses would suffice to bring a process into motion and if there was insufficient evidence confession were permitted to be obtained by torture. Defence of the accused was tantamount to being an accessory to the crime, as were statements of sympathy by relatives. Those found guilty of heresy or witchcraft woulld consider themselfs lucky when mere banished, but often got the death penalty, which usually meant burning at the stake.

Around 1230 the first witch was burned in Europed, but in the Netherlands­much more more reticent to persecute­ only in 1472. Moreover Charles V gave the secular courts the power to deal with witchcraft, which had a restraining influence on the hysterical excesses of the witch hunts by religuous courts. In the 15th century there also came in our regions oversight of magistrates, in order to prevent excesses, in the matter of torture.

Crimineel recht te Goedereede

Vòòr 1529 werden zware misdrijven berecht door de Baljuw en Leenmannen van Voorne, die daartoe naar de stad Goedereede kwamen. In genoemd jaar legde het Hof van Holland deze macht mede in de handen van de Substituut Baljuw van Goeree en het Goereese gerecht en werd de rol van de Baljuw van Voorne sterk beperkt.

Dat een heksenjacht dikwijls begon met de getuigenis van een verdachte bewijst de serie aanklachten in Goedereede eens te meer, als op 17 juni 1581 Pauwel Aertsz. de substituut baljuw van Goedereede een zekere Lenert Jacobsz. verhoort wegens verdenking van toverij. Toveren kan Lenert niet, maar hij weet wel hoe je een betovering van koe of geit waardoor van de melk van dit dier geen boter te maken valt, kunt opheffen. Hij had op die manier zijn zuster geholpen, nadat zij haar geit aan Leene Dimmens geleend had, die samen met haar twee zusters in een kwade reuk stond. Vooral met zus Nijnge had hij naar zijn zeggen slechte ervaringen opgedaan.

Nijnge Dimmens

Lenert werd vrijgelaten en men ondernam nog geen actie tegen de zusters. Maar Nijnge werd in de gaten gehouden en vier jaar later verklaarde een vijf à zes jarig kleinzoontje, onder belofte van een stuk koek aan de Baljuw, dat zijn oma regelmatig werd bezocht door een heer in rode kleding, die paardenvoeten had en bij oma in de bedstee sliep. Een jaar later, in 1585, werd Nijnge gevangen genomen en omdat de burgemeesters en schepenen nog nooit een heksenproces bij de hand gehad hadden, riepen ze de hulp van Fransinus Zoetius in, een Vlaamse advocaat die ook had geassisteerd in een Schiedamse heksenproces. Nijnge bleef ontkennen dat ze mensen en vee had betoverd en omdat na een bekentenis geen ander bewijs meer nodig was en foltering toelaatbaar werd geacht, liet men de beul van Dordrecht komen. Deze hield haar een nacht uit de slaap en hing haar de volgende dag op aan haar achter de rug samengebonden polsen.

Toch bekende ze niet en verbleef het volgend half jaar in het arrestantenhok onder het stadhuis. Men probeerde bewijs tegen haar te verzamelen door enkele vrouwen zogenaamd als arrestanten bij haar te zetten om haar uit te horen en mensen die door het etensluikje heen met haar spraken uit te vragen. Er kwam weinig uit, maar een gesprek met haar zoon Pieter Jobs die haar in december bezocht, deed haar ­ en ook anderen ­ de das om. Ze zei hem dat ze verwachtte te zullen sterven en dat ze vreesde, dat het haar zusters Leene en Eeuwit niet beter zou vergaan.

Willemke met de buyle

In de zomer van 1585, ongeveer tegelijkertijd met Nijnge werd nog een proces gevoerd tegen een vermeende heks: de arme, gebochelde Willemke Jansdochter, bijgenaamd "met de buyle". Tegen haar waren diverse beschuldigingen van toverij ingebracht, onder andere door oud-baljuw Caruyn Adriaensz. Hofdijck, die haar verantwoordelijk achtte voor de dood van zijn negenjarig dochtertje. Andere aanklagers, meer dan tien, kwamen met uiteenlopende voorbeelden van toverij, van het verwekken van storm op zee tot het laten verdorren van gewas.

In dezelfde periode als Nijnge maakte zij kennis met de beul, die haar op de pijnbank legde en geselde. Willemke bekende echter niet en de Baljuw liet als onnatuurlijk - en dus verdacht - verschijnsel aantekenen, dat de gegeselde niet gebloed had. In een gesprek met dominee Arent Janssen van Goedereede zei ze dat ze "de heren van het gerecht dagvaarden zou voor het oordeel Gods, indien zij haar veroordeelden".

Daar na zes maanden van opsluiting en verhoor er geen schot in de zaak kwam, gooide Baljuw Pauwel Aertsz. het over een andere boeg. Begin 1586 beloofde hij Willemke gratie als zij zou bekennen omgang met de duivel te hebben gehad en ten einde raad hapte ze toe. Ze bekende zo'n 17 jaar geleden benaderd te zijn door een in het rood geklede man, die haar beloofde dat ze nooit meer gebrek zou hebben als ze hem zou dienen. Ze nam zijn aanbod aan en hij gaf haar een merkteken in de nek en een smeersel om zich in een kraai te kunnen veranderen. Ook had hij herhaaldelijk bij Willemke geslapen. Ze bekende verder de hand te hebben gehad in de dood van het dochtertje van oud-baljuw Caruyn Adriaensz. en nog twee moorden.

Onder leiding van de beul zou nu op 6 januari 1586 bij haar de duivel worden uitgebannen. Hiertoe werd ze van top tot teen kaalgeschoren en gehuld in een nieuw kleed, dat met wijwater besprenkeld was en moest ze een broodje eten waar stukjes van een gewijde kaars, van een priesterkleed en wat gewijd zout in zaten.

Na deze zuivering werd ze weer verhoord en nu ontkende ze alles. Uit de reactie van de Baljuw maakte ze op dat dit haar niet zou helpen en zegde ze toe haar bekentenis te herhalen als de heren haar wilden beloven dat ze zou worden gewurgd alvorens de brandstapel zou worden aangestoken. Dit werd toegestaan en ze bekende. Grootmoedig hielden de heren woord, want het vonnis vermeldt dat de straf zou zijn "formel ghewurcht ende ghebrant te worden te pulvere zodatter de doot naer volghe". Niet lang hierna moeten zowel Nijnge als Willemke ter dood zijn gebracht. Volgens van Dam gebeurde dit niet op het galgenveld, maar voor het stadhuis op de markt (zie pag. 84, heruitgave 1993).

Leene Dimmens

Leene was intussen op 22 december 1585 gevangen genomen en opgesloten in een kamertje in het huis van de Baljuw, nadat haar neef Pieter het laatste gesprek dat hij met zijn moeder had gevoerd in kleine kring bekend had gemaakt.

Zij had uit wat haar zuster en Willemke overkomen was misschien lering getrokken en bekende na enkele dagen al omgang met de duivel in de gedaante van een man in het zwart met een rode muts, die zich Jacop noemde en uit Sommelsdijk kwam. Zij kreeg een poeder om zich in een bonte kat te veranderen en bekende enkele moorden. Ze betoonde daarbij zoveel berouw, ook in een gesprek met de dominee, dat men waarschijnlijk niet waakzaam genoeg is geweest, zodat ze in de nacht van 2 op 3 januari wist te ontsnappen. Op het havenhoofd aangekomen (toen nog veel dichter bij de stad) wierp ze zich in het Haringvliet en verdronk. Hierbij werd officieel aangetekend dat de vrouw als een kurk op het water dreef, wat weer als een bewijs werd opgevat dat men echt met een heks te maken had gehad. Zij kwam dan ook als eerste van de drie op de brandstapel.

Eeuwout Dimmens

Zes jaren blijft het stil rond de van hekserij verdachte personen in Ouddorp en Goeree, hoewel de namen die door de veroordeelden van destijds zijn genoemd zeker niet vergeten zijn. Er komt een nieuwe Substituut-Baljuw, Johan Wieland geheten en om welke reden hij opnieuw heksenprocessen wil gaan voeren is niet bekend, maar wel, dat de Baljuw van Voorne, Jhr. Dirk van Duivenvoorde, door het Hof van Holland op 30 juni 1592 opdracht krijgt om Wieland te gaan "assisteren" in zijn onderzoek. Waarschijnlijk wil het Hof dat hij een remmende werking op het verloop ervan zal uitoefenen, omdat men dit soort vertoningen niet meer van deze tijd vindt. Het pakt echter anders uit en van Duivenvoorde werkt juist aan de verhoren mee. Het betrof deze keer drie vrouwen: Jacquemyne Cleyn Arens, Adriane Jansdr. ook wel veelzeggend genoemd Clinckebelle en Eeuwout Dimmens, zuster van Nijnge en Leene.

Clinquebelle biechtte zonder terughouding op al jaren met de duivel te verkeren en bekende nog vele andere misdaden. Ze zei samen met Eeuwout Dimmens verantwoordelijk te zijn voor de dood van de dochter van Jan Jansse Roos. Hoewel een getuigenis als dit gelijk stond aan een doodvonnis lezen we over haar en Jacquemyne verder weinig, maar over Eeuwout des te meer.

Zij was in mei 1592 gevangen genomen en op 29 juli door Baljuw van Duyvenvoorde verhoord, maar ontkende alle beschuldigingen en zei o.a. dat ze niet zou weten hoe ze boter moest betoveren. Men liet Clinquebelle uit het cachot halen, die bij haar leven zwoer dat Eeuwout haar medeplichtige was en dat ze vanouds bekend stond als heks, wat door verschillende getuigen bevestigd werd. Hoewel haar derde man, Marinus Faes zijn best deed zijn vrouw te verdedigen, werden zijn woorden ongunstig geïnterpreteerd en samen met een klein gezwel op haar bovenarm gezien als bewijs voor omgang met de duivel. Na vier maanden opsluiting deed Johan Wieland een verzoek om haar te mogen pijnigen, wat door de schepenen werd afgewezen. Toen een jaar na haar gevangenneming Eeuwout nog in de kerker zuchtte, liet haar man een verzoekschrift opstellen (mogelijk door Jacob Cats) aan het Hof van Holland, met het verzoek de procedure te doen versnellen. Tot twee maal beval het Hof de Baljuw haast te maken. De tweede missive gaf hem nog acht dagen. Hierdoor in het nauw gebracht maakte hij een uitvoerig verslag van een eerder bezoek dat zijn vrouw samen met een vriendin aan Eeuwout in de gevangenis gebracht had. Verder stelde hij een lijstje met bewijzen op dat er als volgt uitzag:

  1. Men kende haar al 20 jaar als heks.
  2. Haar zusters waren als heksen verbrand.
  3. De verklaring van Adriane Jansdr. van medeplichtigheid aan moord.
  4. Ze had Aechgen Cornelisdr. betoverd.
  5. Was medeplichtig aan de dood van de dochter van Jan Roos.
  6. Had al tijden een koude hand op haar buik gevoeld en onthield zich van bijslaap met haar man (noot v.d. schrijver: om die reden en wegens haar leeftijd van 67 jaren).
  7. Voelde die hand ook in de gevangenis.
  8. Kon ­zo zeiden getuigen- in het donker zien.

Verder beriep hij zich op het advies van Fransinus Zoetius uit 1585 om haar onder tortuur te stellen en hoewel hij dus eigenlijk niets nieuws te melden had gaven de burgemeesters en schepenen nu hun toestemming.

De beul en zijn helper onthielden haar gedurende negen etmalen alle slaap, terwijl ze regelmatig verhoord werd. Onder deze behandeling, die meermalen tot waanzin leidde, brak zij en bekende met de duivel te verkeren en dat de buil op haar arm inderdaad het duivelsteken was. Anderen beschuldigen wilde zij niet en met een lijstje van namen geconfronteerd gaf ze van haar minachting voor haar beulen blijk, door op te merken dat die bij gelijke behandeling ook wel zouden bekennen.

Ondanks deze bekentenis horen en lezen we na 18 juni 1593 niets meer van haar proces, wat op vrijlating zou kunnen wijzen. Niet zeker, maar ook niet onmogelijk, was het haar proces waarover Cats in een gedicht spreekt als hij zijn betrokkenheid noemt bij een heksenproces in Goedereede en een in Schiedam (1592), waar in beide gevallen vrijspraak volgde.

Joosgen Dircx Coster

Zij was een halfzuster van de gezusters Dimmens en dus verdacht. Toen haar ter ore kwam, dat op 12 september 1592 een aantal schepenen van Goedereede onder ede verklaard hadden gehoord te hebben dat zij al jaren als heks te boek stond, ging zij tot de aanval over. In haar geval was er geen sprake van een oude of gebrekkige of onwetende vrouw: zij was getrouwd met een oud-burgemeester, thans secretaris en een geacht burger van de stad.

Zij wendde zich direct tot het Hof van Holland en verzocht om een "mandement van purge", wat inhield dat er een rechtszitting zou worden gehouden, waarop ieder die een aanklacht had verzocht werd die te verwoorden, waarop een onderzoek en een uitspraak van het Hof volgde.

Het was duidelijk dat het Hof korte metten met dit soort aantijgingen wilde maken, want het verzoek werd toegestaan en de eerste deurwaarder van het Hof, Andries van Groenesteyn, reisde naar Goedereede af en maakte het voornemen een mandement te houden op 2 juli vanaf het bordes van het stadhuis bekend. De zaak diende in den Haag op 23 juli en op 18 september werd Joosgen "puyr, suver ende innocent" verklaard.

Eeuwout en Joosgen hadden meer geluk dan Leene, Willemke en Nijnge. Zij konden aan de brandstapel ontkomen, doordat ten tijde van hun proces bij de hogere standen de scepsis ten opzichte van toverij was toegenomen.

Crimineel recht te Goedereede

Before 1529 serious crimes were judged by the Bailiff and Vassals of Voorne, who would come to the city of Goedereede when required. That year the Court of Holland extened this power also in the hands of the Acting Bailiff and Court of Goeree, so significantly restricting the role of the Bailiff of Voorne.

That a witch hunt was often initiated by statements made by a suspect is again proven by the series of accusations in Goedereede, as on June 17, 1581 Pauwel Aertsz, The acting bailiff for Goedereede interrogates a certain Lenert Jacobsz on suspicion of witchcraft. Lenert is incapable of magic, but he does know how to put a cow or goat under a spell by which it is impossible to make butter from the milk of this animal. This is how he had helped his sister out, after she had loaned her goat to Leene Dimmens , who, along with her two sisters enjoyed a malodorous reputation. Especially with her sister Nijnge, he said, had he had bad experiences.

Nijnge Dimmens

Lenert was released and no actions were as yet taken against the sisters. But an eye was kept on Nijnge and four years later her grandson, five or six years old, after being promised a morsel of cake by the Bailiff, that his grandma was visited on regularly by a gentleman in red garb, who had feet like a horse and would sleep with grandma in the bedstead. One year after that, in 1585, Nijnge was arrested and, because the burgomaster and council had never dealt with a witch trial, they requested the help of Fransinus Zoetius, a lawyer from Flanders who had previous exerience assisting at a witch trial in Schiedam. As Nijnge continued to deny bewitching people or cattle and because a confession was deemed conclusive obviating any need for further evidence, and as torture was permitted, the torturer of Dordrecht was called in. The latter prevented her from sleep for a night and strung her up the next day from her wrists, bound together behind her back.

Still she did not confess and remained for the next half year in the holding pen underneath city hall. Attempts was made to collect evidence by having a few women pretend to have been arrested and lock them in with her to elicit statements and by interrogating individuals who had spoken with her through the small aperture through which her food was passed. But a conversation with Pieter Jobs wh visited her in December, proved fatal for her­and others. She had said she expected to meet her death en that she feared, it would nto end any better for her sisters Leene en Eeuwit.

Willemke with the hump

Around the same time in the summer of 1585, there was another process agains a suspected witch: the poor, hunchbacked Willemke Jansdochter, nick named "with the hump". Various accusations of witchcraft were brought against her, among others by former bailiff Caruyn Adriaensz Hofdijck, who held her responsible for the death of his nine-year old daughter. More than ten other accusers, came with different examples of magic, from creating a sorm at sea, to the withering of crops.

During the same period as Nijnge she got acquainted with the torturer, who lashed her and laid her on the rack. But Willemke did not confess and the Bailiff Baljuw noted as unnatural - and therefore suspicious - that hte accused had not bled when lashed. During a conversation with minister Arent Janssen of Goedereede she stated she "would summon the gentlemen of the court before the judgement of God if they convicted her".

Because ther had been no progrees in the case after six months of having her locked up Bailiff Pauwel Aertsz tried another tack. In the beginning of 1586 he promised Willemke a pardon if she confessed consorting with the devil and in the end she grabbed the bait. She confessed that about 17 years before she had been approached by a mean dressed in red, who promised she would never again lack of anything if she would serve him. She accepted his proposal after which he gave her a mark on the neck and a salve so she could change herself into a crow. He had also bedded Willemke repeatedly. She further confessed having a hand the death of the former bailiff Caruyn Adriaensz' daughter and another two murders.

Under the hands of the torturer she would be exorcised of the devil January 6, 1586. For this purpose she was shorn of all hair from head to toe, dressed in new garb which had been sprinkled with holy water and instructed to eat a bun which contained pieces of consecrated candle, of priest's verstments and consecrated salt.

After this purification she was interrogated again and this time denied everything. From the Bailiff's reaction she thought he would not help her and sid she would repeat her confession teif the gentlemen would promise her she would be strangled before the pyre was lit under her. This was agreed to and she confessed. Bieg hearted as they were, the gentlemen kep their word, as the sentence would be "formel ghewurcht ende ghebrant te worden te pulvere zodatter de doot naer volghe" (afore to be strangled, and burnt to ash so that death follow). Not long after this both Nijnge als Willemke must have been executed. According to van Dam this did not take place where the galolws were, but in at the market infront of city hall (see pag. 84, new edition 1993).

Leene Dimmens

In the meantime Leene was arrested December 22, 1585 and locked in small room inside the Bailiff's house, after the last conversation her nephew Pieter had had with his mother had been divulged to a limited number of people.

Perhaps she had learned something from wat had happed to her sister and Willemke and had after several days already confessed to have had congrees with the devil who appeared as a man in black with a red cap , called himself Jacop and come from Sommelsdijk. She was given a powder with which to turn herself into a callico cat and confessed to several murders. With his she displayed so much remorse, also when speaking with the minister, that her keeprs may have sufficiently let down their guard, to allow her to escape on the night of January 2/3. After making it to the had of the harbour (at that time much closer to the town) she threw herself into the Haringvliet and drowned. Here an official notation was made that the woman bobbed like a cork on the surface of the water, which was taken as further evidence that one try had had to deal with a witch. She was burned the first to be burnt at the stake.

Eeuwout Dimmens

For isix years there is silence around the persons suspected of witchcraft in personen in Ouddorp en Goeree, although the names of those accused by the previously convicted women have not been forgotten. A new Acting-Bailiff is appointed, Johan Wieland, and what reasons he had to initiate witch trials once again is not known, but on June 30, 1592 the Bailiff of Voorne, Dirk van Duivenvoorde, is ordered through the Hof van Holland to assist Wieland in his investigation. Probably the Hof expected him to have a moderating influence on its course, because this sort of spectacle is frowned upon by this time. It does not turn out this way and van Duivenvoorde fully cooperates in the hearings. This time it cncerns three women: Jacquemyne Cleyn Arens, Adriane Jansdr­also, signigifcantly, called­Clinckebelle and Eeuwout Dimmens, sister to Nijnge en Leene.

Clinquebelle without reticence admitted to have had congress with the devil for many years and confessed to may other crimes as well. Together with Eeuwout Dimmens she claimed to have been responsible for the daughter of Jan Jansse Roos. Although a confession of this magnitude should equal a death sentence, after this we read little about her and Jacquemyne, but about Eeuwout all the more.

She had been incarcerated in May, 1592 and interrogated July 29 by Bailiff van Duyvenvoorde verhoord, but denied all accusation and said among other things she did not know how to bewitch butter. Clinquebelle was pulled out confinement, who swore by her lofe that Eeuwout was her accomplice and had always been known as a witch, which was confirmed by several witnesses. Althought her third husband, Marinus Faes did his best to defend his wife, his words were interpreted unfavourably and, together with a small swelling on her upper arm seen as proof for congress with the devil. After she had been imprisoned for four months Johan Wieland made a request for permission to have her tortured, which was denied by the magistrates. When a year after her arrest Eeuwout was still pining in her dungeon, her husband petitioned to the Hof van Holland (possibly with the help of Jacob Cats), to speed up the lagal process. Twice the Hof orders the Bailiff to make haste. The second missive gavime him eight days to comply. Cornered in this manner he composed a detailed report of an earlier visit to Eeuwout in prison by his wife and a lady friend. Furthermore he composed a list of proof as follows:

  1. She had been known as a witch for a period of twenty years.
  2. Her sisters were burned as witches.
  3. Adriane Jansdr. had declared she had been accessory to murder.
  4. She had bewitched Aechgen Cornelisdr.
  5. Was an accomplice in the death of Jan Roos's daughter.
  6. Had for a long period felt a cold hand on her belly and kept herself form laying with her husband (Author's note: for that reason and her age of 67).
  7. Felt that hand also while in prison.
  8. Could see in the dark, according to witnesses

As per the advice of Fransinus Zoetius in 1585 he furthermore requested to allow her to be subjected to torture and, although he had not actually come up witn anything new, the burgomasters and magistrates this time gave their permission nu hun toestemming.

Forn nine days and nights the torturer and his assistant deprived her of all sleep while interrogating her repeatedly. Under this treatment, which often led to madness, she broke and confessed to congress with the devil and that the bump on her arm was indeed the sign of the devil. She refrained from accusing others and confronted with a list of names she emonstrated contempt for her torturers, by remarking that under similar treatment they would equally confess.

Despite this confession after June 18, 1593 we do not hear anything about the process against her that could point to her exoneration. Neither certain or impossible, was it that it was her trial Cats refers to in a poem indicating his involvement with a witch trial in Goedereede as well as one in Schiedam, both of which resulted in exoneration (1592).

Joosgen Dircx Coster

She was a half sister to the Dimmens sisters en so a suspect. When she heard that on September 12, 1592 a number of Goedereede magistrates had declared under oath to have heard she had been known as a witch for years, she went on the attack. This time the woman in question was not old, ignorant and of little means: she was married with a former burgomaster, who was currently the town secretary and a respected citizen.

She turned directly to the Hof van Holland en requested a mandement van purge, which meant a court would be convened, at which everyone who had made an accusation was obliged to substantiate same, after which would fowllow an investiagation with a subsequent proclamation of het Hof.

It was clear that het Hof would give short thrift to this type of accusations, as the request was granted and the first representative of het Hof, Andries van Groenesteyn, traveled to Goedereede and his announcement the procedure would take place July 2 was announced form the terrace of city hall. The case was heard July 23 and on 1September 18 Joosgen was declared to be puyr, suver ende innocent (pure, clean and innocent).

Eeuwout and Joosgen were more fortunate than Leene, Willemke en Nijnge. The could escape the stake, because at the time of their trial the higher echelons scepticism had grown in regard to witchcraft.

Bronnen

Het Eiland Goeree-Overflakkee, F.Den Eerzamen.

Heksenprocessen in Goedereede, Mr. L.M. Rollin Couquerque, Tijdschrift voor Strafrecht dl. 12, p 116 e.v., 1897.

De Heksenprocessen te Goedereede van 1585 en 1592, J.M. Westdorp, De Ouwe Waerelt, jaargang 1 nr 1 mrt. 2001, Kransse Sommelsdijk.

Sources

Het Eiland Goeree-Overflakkee, F.Den Eerzamen.

Heksenprocessen in Goedereede, Mr. L.M. Rollin Couquerque, Tijdschrift voor Strafrecht dl. 12, p 116 e.v., 1897.

De Heksenprocessen te Goedereede van 1585 en 1592, J.M. Westdorp, De Ouwe Waerelt, jaargang 1 nr 1 mrt. 2001, Kransse Sommelsdijk.

Translation Rene Luijkenaar