Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1973, 6de jaargang, nr. 1

Edmond Van Hove
en Ledegancks
Drie Zustersteden

Kunstschilder Edmond Van Hove
(Brugge, 1851-1913).
Foto uit de verzameling Vande Voorde.

Op de tentoonstelling Herinneringen aan K.L. Ledeganck die van 29 oktober tot 2 november 1972 op het Eeklose stadhuis werd gehouden, was een foto te zien van het schilderij De Drie Zustersteden van Edmond Van Hove.  Aan de hand van uitvoerige nota's die mijn vader over deze kunstenaar verzamelde, wil ik hier even dit schilderij en zijn schepper nader belichten.

Edmond Van Hove werd te Brugge geboren op 7 juni 1851 als achtste kind van Jan Van Hove en Isabella Hooghuys.  Vermeldenswaard is dat deze Isabella Hooghuys de zuster was van Louis Hooghuys, de man die het orgel van de Sint-Vincentiuskerk te Eeklo bouwde.  Edmond Van Hove volgde eerst de lessen aan de Akademie van zijn geboortestad, om vervolgens in 1871 naar Parijs te trekken waar hij aan de Ecole des Beaux-Arts als leermeester Alexander Cabanel had, een historie- en portretschilder, die in 1845 de Prijs van Rome had verworven en beschermeling was geweest van Napoléon III.  In 1875 keerde hij naar Brugge terug, waar hij in 1890 benoemd werd tot leraar aan de Akademie.  Hij vormde er talrijke kunstenaars en Constant Permeke was zelfs een korte tijd één van zijn leerlingen.  In 1899 ging de kunstenaar zich in Antwerpen vestigen, in 1902 verhuisde hij naar de Ledeganckstraat 36 in Gent (louter toeval ?) om tenslotte in 1910 terug in Brugge te belanden, waar hij op 12 mei 1913 overleed. Zoals hij elk van de Drie Zustersteden in zijn werk had uitgebeeld, zo had hij ook in elk van de drie steden gewoond.

Van Hove was een technisch zeer begaafd kunstenaar, die een zeer grote bewondering had voor de Vlaamse Primitieven; hij volgde hen in menig schilderij, zowel qua werkwijze als qua onderwerpen, na : in zijn tijd was hij trouwens bekend als «de moderne Memlinc».  Hij schilderde religieuze taferelen die hij meestal situeerde in het Brugge van zijn tijd, historische taferelen als het prachtige Galileï bij de kardinaal van Sienna (1885) uit het Groeningemuseum te Brugge, portretten (vooral fraaie kinderkopjes) en allegorische taferelen, waarvan het voornaamste zeker De Drie Zustersteden is.  In welke omstandigheden ontstond nu dit schilderij ?

Ledeganck schreef De Drie Zustersteden in 1846, een jaar voor zijn dood.  Hij woonde toen in de Capucijnenstraat 1 te Gent.  Ter gelegenheid van de 50e verjaardag van zijn overlijden op 19 maart 1847, werd besloten te Eeklo een standbeeld voor hem op te richten.  Het was een initiatief dat in heel Vlaanderen werd toegejuicht: zo kon men onder meer in de «Gazette van Brugge» van 14 mei 1894 het volgende lezen: «Het berek van Eecloo doet een beroep aan geheel het vlaamsche land, om samen te werken tot oprichting van een standbeeld aan den dichter Karel Ledeganck, den grooten zanger der «Drie Zustersteden» — Antwerpen, Gent en Brugge.  Het berek bestaat buiten alle partijschap.  Geen dichter verdient meer dan Ledeganck openlijk gehuldigd te worden en wij zullen ook de pogingen van Eecloo met kracht ondersteunen.»

Het is wellicht deze aktie die bij Edmond Van Hove belangstelling voor Ledeganck en zijn Drie Zustersteden deed ontstaan.  Was hij één van de vele duizenden Flaminganten die uit heel het land waren opgekomen om op 29 augustus 1897 de onthulling van Ledegancks standbeeld bij te wonen ?  In elk geval moet hij toen reeds met het plan hebben rondgelopen Ledegancks dichtwerk gestalte te geven en wellicht was hij toen reeds met de voorstudie ervan begonnen.  Eén jaar na de inhuldiging van het standbeeld was het schilderij voltooid.

De drie panelen van «De Drie Zustersteden», door Edmond Van Hove (1898).

Foto Brusselle, Brugge.

Het werk is uitgevoerd op hout en bestaat uit drie gelijke panelen van 70 bij 53 cm, die elk onderaan links de handtekening van de kunstenaar dragen en het jaartal 1898.  Op de houten omlijsting leest men onderaan in drukletters De Drie Zustersteden en bovenaan vindt men boven elke symbolische figuur het wapenschild van de stad die wordt uitgebeeld.  Elk paneel is dan nog eens voorzien van een in goud geschilderde omlijsting bestaande uit met vruchten versierde zuilen.  Hierin volgde Edmond Van Hove de Brugse schilders na uit de 16e eeuw als een Lanceloot Blondeel bij wie de architecturale versiering de voorstelling vaak overheerst.  Bovenaan elk paneel leert een opschrift ons welke stad is voorgesteld: links «Gent die Dappere», in het midden «Brugge die Schoone» en rechts «Antwerpen die Weelderige».  Tussen de sokkels van de zuilen zijn telkens in drukletters die verzen uit Ledegancks dichtwerk geschilderd die het best de allegorische voorstelling illustreren.

Voor Gent:
En toch, nog nu Bemin ik U,
O Gent ! Gelijk een spruit van adellijken bloede.
Voor Brugge:
O lang gevierde maagd der rijkste van de steden !
Nog draagt gij 't kenmerk van den adel om de leden,
Nog zweeft om U een straal des luisters van weleer.
Voor Antwerpen:
Gij siert nog steeds de kruin met uw driedubbele krone
van kloekheid, rijkdom en van kunst.

Elke stad wordt symbolisch voorgesteld door een meisjesfiguur.  De figuur links, waarvoor, zoals door vergelijking met bewaard gebleven portretten blijkt, vermoedelijk de oudste dochter van de kunstschilder, Anna, heeft geposeerd, leunt op een zwaard, zinnebeeld van de macht en de fierheid van Gent.  Achter het meisje, waarvan de blik ons krijgshaftig aankijkt, rijzen de drie torens van Gent op: de torens van de Sint-Niklaaskerk, van Sint-Baafs en van het belfort.  De figuur in het midden staart dromerig voor zich uit: zij symboliseert de vergane grootheid van Brugge.  Even dromerig en poëtisch als de meisjesfiguur is het typische Brugse stadsgezicht waarvoor ze is geplaatst.  Rijk getooid met kostbaar gewaad en edelstenen, symbool van de rijkdom en de bloei van Antwerpen, houdt het meisje op het rechterpaneel het befaamde landjuweel in de hand, de ereprijs van de rederijkersprijskampen.  Achter haar stroomt breed en statig de Schelde.

Het schilderij werd voor het eerst tentoongesteld op het «Salon de Paris» van 1898 (n° 2002). Nadien was het ook te zien op tentoonstellingen in elk van de drie zustersteden: Gent (1899), Antwerpen en Brugge.  Het werd voor het eerst gereproduceerd in het juninummer van het Engelse tijdschrift The Artist en zou nadien nog dikwijls als titelpagina gebruikt worden, o.a. voor Karel de Flou's Promenades dans Bruges.  In 1931 werd het werk door Mevrouw A. Ganshof Van der Meersch aan de stad Brugge in bruikleen gegeven.  Het werd ondergebracht in het Groeningemuseum (cat. 1938, n° 174).  In 1947 werd het geruild voor een werk van Frans Van Holder.  Thans bevindt het schilderij zich in privaat bezit te Knokke.

Jammer dat de voorbereiding van de Ledeganck-Herdenkingstentoonstelling zo kort was.  Meer tijd en meer samenwerking hadden de inrichters wellicht de mogelijkheid geboden het werk op de tentoonstelling te krijgen.  Een kans die men bij een volgende gelegenheid beslist niet mag laten voorbijgaan...

Dirk Vande Voorde.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: