Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1973, 6de jaargang, nr. 4

DE OUDE NAPOLEONIST

(VERVOLG)

III. HET VERTREK BIJ 'T LEGER.

Vol moed nam onze Pol afscheid van familie, vrienden en kennissen en vertrok naar zijnen dépot te Gent.  Eenige dagen daar verbleven hebbende, moest hij met andere strijdmakkers de groote reis ondernemen naar Brest (17), de grootste krijgshaven van Frankrijk.  Na zeven en veertig dagen gaans waren zij er in gelukt op hunne bestemming te komen en rekenden, dat zij twee honderd uren weg hadden afgelegd.

Vier weken verbleef Polken ook op het eiland Warschau, de voornaamste provincie van Polen (18), meermalen genomen en geplunderd; vandaar keerde hij terug naar zijnen dépot, alwaar hij bij de burgers tien dagen bleef vernachten om verders met vijf of zes honderd man tegen Spanje (19) op te trekken.

Het was in 1812, dat onze held te Saragossa (20) gelegen op den Ebro in Spanje, den eersten veldslag bijwoonde, gericht tegen de Spanjaards en de Engelschen.  Deze stad, waar de vijand zich schuil hield en die, rechts en links, omgeven is door water, was moeilijk te overmeesteren.  Dit alles dwong Napoleon's leger drij dagen lang voor de stad te blijven liggen zonder dezelve te kunnen binnentrekken; doch de Napoleonisten, die, na dezen tijd, er in gelukten het water over te trekken, en aldus zich van de stad konden meester maken, dwongen nu hunnen vijand tot den aftocht.  Twee tot drij maanden bleef Polken met de overige overwinnaars hier, in de ingenomen stad, stil tot dat zij moesten vertrekken naar Burgos (21) in Spanje, 25 tot 30 uren verder.  De Spaansche en Engelsche soldaten verlieten alras deze laatste stad bij het zien naderen der Napoleonisten, die er zich aldus op nieuw meester van maakten, alhoewel zij er toch drij uren slechts moesten vechten.  Nog niet te vreden over de reeds talrijke bekomene overwinningen moesten Napoleon's soldaten aftrekken op Valladolide (22) eene sterke stad in Spanje.  Om deze stad te overmeesteren, verhaalt Polken was slechts een halve dag strijdens genoeg.  Onzen held had ook te strijden te Pampeluna (23) eene sterke stad met citadel in Spanje (23.000 inwoners) die in 1813 door de Engelschen werd ingenomen.  Zijne laatste stad was Bayon (24) daar was hij 3 maanden geblokeerd.

Alhoewel wij, zoo zegt onze moedige Basseveldenaar verder, als soldaat onder Napoleon meest altijd eten kregen voor vijftien dagen, toch hadden wij menigen keer gebrek aan voedsel en waren wij verplicht, wilden wij niet van honger omkomen, slakken te vangen, kanstanjen en eikels te rapen in de bosschen en dit alles ondereen te koken en onze verhongerde magen binnen te zenden.  Ja, het gebeurde ook wel eens, dat er eene goede vangst te doen was; want, nu en dan, doorliepen wij streken, omgeven door groote bosschen, waar zich wilde zwijnen en schapen schuil hielden; en wanneer wij er in gelukten deze vierpooters binnen scheut te krijgen, duurde het niet lang of zij lagen aan 't spit en ieder soldaat watertandde dan om de gebradene brokjes te verslinden: O jongens, dan was het oprecht kermis !

IV.  HET OORLOGSJAAR 1812.

Dit hoofdstuk verhaalt Napoleons veldtocht in Rusland in 1812 en heeft geen enkel verband met het levensverhaal van Leopold Huughe.

V.  DE TERUGKEER VAN 'T LEGER.

In 1814 keerde Polken, onze moedige Basseveldenaar, terug naar zijn beminnelijk Vaderland en geliefkoosde geboortegrond, waar drij en twintig jaren geleden zijne wiege stond !

Hij meende in zijne duurbare gemeente, die hem zoo nauw ter harte lag, te midden zijner vrienden en kennissen, de volle vrijheid te genieten; doch neen, dit genoegen mocht hij nog voor goed niet smaken, want zijne rust was van geen en langen duur.  Immers, in 1815 ontvluchtte Napoleon zijn gevang (25) en kwam terug naar Frankrijk.  Eenmaal Napoleon in Frankrijk terug, zoo zegt de geschiedschrijver, dan vloog de Keizerlijke arend met de nationale driekleur van kerktoren tot kerktoren en het duurde niet lang of zijne moedige getrouwe soldaten stonden weder aan zijne zijde om met goed gevolg den slag van Lutsen en Boutsen (26) te wagen.  Napoleon was gelukkig evenals zijn oude wapenbroeders, doch, O ramp ! de bondgenooten gingen tegen hem den vermaarden slag van Waterloo aan.  Aanstonds verklaarde de bloeddorstige Keizer hen den oorlog, en Polken die nu tien maanden van dienst was, werd wederom onder de wapens geroepen, doch ditmaal werd hij ingelijfd bij den Hollander: de Prins van Oranje ! (27)

VI. WATERLOO.

Dit hoofdstuk behandelt de historische betekenis van de slag van Waterloo voor de Zuidelijke Nederlanden. Het bevat verder een juiste kritiek van de regering van Willem I en wijst aldus duidelijk de motieven aan die geleid hebben tot de Belgische omwenteling.

VII. POLKEN'S VERTREK BIJ DEN HOLLANDER.

Polken moest van den nood eene deugd maken, voor de tweede maal zijn dorp verlaten en het soldaten pak aantrekken om zijnen krijgsdienst te hernemen. Vaart allen wel, had hij aan zijne vrienden gezegd, tot binnen eenigen tijd...

Polken had dienst genomen bij den Hollander en was gelegen te «Grave», eene gemeente in Nederland van 3.400 inwoners met eene vesting op de Maas bij 's Hertogenbosch.

Tien maanden was hij daar onder de wapens en gedroeg zich gedurende dezen tijd als voorheen: hij diende tot toonbeeld van moed en wilskracht aan zijne makkers.

Op zekeren dag kwam een der Hollandsche Krijgsoversten de kazerne binnengestapt den soldaten boodschappende, dat de vrede geteekend was, het land in rust en er eerstdaags tot de «Afloting» zoude worden overgegaan.

Deze «Afloting» ten dien tijde in gebruik, had plaats, omdat het land nu in rust zijnde, den Hollander te veel soldaten had en hij er bijgevolg zooveel niet meer benoodigde.

Gezegde «Afloting» viel in 't voordeel uit van Polken, die aldus mocht huiswaarts keeren.  Voorzeker was hij volop in zijnen schik, want nu ging hij immers voor goed de vrijheid genieten, zij, die hij reeds zoolang had moeten missen.

Daarom vertoefde onze held niet langer meer dan noodig was in 't leger, en, na afscheid van de krijgsmakkers genomen te hebben, keerde hij opgeruimd, kloek en gezond voor goed naar zijne geboorteplaats, waar hij door vrienden en kennissen, als een prins, werd ontvangen.  Ik zeg: vrienden en kennissen, want wij hebben reeds vroeger gezien, dat zijn vader, toen hij hertrouwd was, naar Lembeke was gaan wonen en aldus onze Pol geen ouderlijk huis te Bassevelde meer aantrof.

VIII.  POLKEN TERUG OP ZIJNE GEBOORTEPLAATS.

De oudstrijder nam zijnen intrek bij zekeren Siesken De Vrieze, destijds houtzager.  «Pol», zoo had Siesken gezegd, «gij zoudt mij van grooten dienst kunnen zijn met bij mij aan de zaag te staan, want gij zijt een kloeke, vlugge jongen, die gemakkelijk de zaag zoudt kunnen hanteeren.»

Onze Pol liet dit zich geen twee keeren zeggen: zoo gauw was hij te vreden.

Hieruit volgde, dat hij den stiel van houtzager leerde om later voor eigen rekening te doen.

Hij was bij zijnen baas in den kost, en, laat het ons niet verzwijgen:  Siesken was voor Pol een tweede vader: hij werd er als kind ten huize aangerekend !

Menigen avond kwamen de geburen, ten huize van Siesken De Vrieze luisteren naar de vertellingen die de oud-soldaat deed over de gevaren die hij had onderstaan en de heldendaden, welke hij had bijgewoond. En, geen wonder, dat hij met gespannen aandacht werd aanhoord en het zeer dikwijls gebeurde, dat hij in zijne rede werd onderbroken om op allerhande wisselvallige vragen te antwoorden.

Zoo werden menige avonden, onder het rooken van 't gewoon baardbranderken (28) gesleten tot dat iedereen voldaan en vermoeid van Polkens gevallen te aanhooren, huiswaarts keerde om zich ter rust te begeven.

Het moest wel waar zijn, dat Siesken De Vrieze als een tweede vader voor Pol was, want iederen keer dat hij des avonds zijne kinderen in den catechismus onderwees, mocht Polken denzelven medeleeren, want, zegde hij, men kan nooit weten waarvoor iets van pas komt.  Daarbij kreeg Polken nog les in lezen en schrijven en was zoo goed van begrip, dat hij, als de winter ten einde was, al met een boek ter kerk ging en hij er tot einde toe, de mis kon in lezen.

«Schrijven» meende Polken, is ook voor mij onmisbaar, want dagelijks moet ik toch aanteekening houden van de gezaagde houtwaren, die ik heb afgewerkt.

Daarom legde hij zich bijzonder toe om dit voornaam vak meester te worden, en het moet worden gezegd, hierin had hij ook veel aanleg, want het duurde niet lang of hij wist, zoo goed het maar zijn kon, de pen te hanteeren.

IX.  POLKEN LEERT BIJ DEN ZAGERSTIEL
DEZEN VAN KLOEFKAPPER.

Te dien tijde was het in 't gebruik, dat reizende kloefkappers bij boeren en burgers kwamen en ten huize dezer, van hun eigen hout, de benoodigde kloefen maakten voor gansch 't gezin en dit voor langen tijd.  Polken zou gaarne een tweede stiel hebben willen kennen, maar hoe daar aan geraken ?

Wacht, dacht hij, dat ik eens bij den zagerstiel dezen van kloefkapper leerde, dit zou, meen ik, toch niet slecht zijn.  In den winter ligt immers het houtzagen stil en ook juist in dit jaargetijde benoodigt men het meest kloefen.  Inderdaad zijn plan was goed gemaakt, maar hoe het ten uitvoer brengen?  Hij wachtte tot dat op zekeren dag, in 't begin van den winter, de kloefkapper bij Siesken De Vrieze zijnen stiel moest komen uitoefenen en, van deze gelegenheid willende gebruik maken, vroeg Polken om denzelven aan te leeren hetgeen hem volstrekt niet geweigerd werd.  Gansch den winter trok Polken met den kloefmaker, van hier naar daar, mede en wanneer het koude jaargetijde ten einde was kon Polken zijnen geliefkoosden stiel wel niet volmaakt, maar het overige, zegde hij, zal ik wel bij mijn eigen leeren.  Zoo gezegd, zoo gedaan !

Nu was Polken volop in zijnen schik, want nu kon hij immers een dubbel ambacht, zooals zijn vader zaliger er twee had gedaan.  Hij was er hoogst over te vreden ook, te meer, omdat hij nu, als treffelijk man door de wereld kon komen.

X.  EENE VERRASSING.

Op zekeren vroegen morgend van het jaar 1821 kwam de veldwachter Bernard Firi (29) bij Polken, hem zeggende, dat hij, volgens bevel van Burgemeester Macharius Peers, des namiddags op het Gemeentehuis moest komen, ten einde te vernemen wat deze magistraat verlangde.

Op 't gestelde uur was Polken op zijnen post, maar hoe groot was zijne verwondering als hij 't Gemeentehuis binnen gekomen zijnde er nog verschillige zijner oude strijdmakkers aantrof.

Waarlijk, zij waren met 29 Napoleonisten aanwezig en allen ontvingen uit handen van dheer Burgemeester Peers, de herinneringsmedaillie van Napoleon.  Het was een oprechte plechtige stond als gezegd eereteeken op hunne borst gehecht werd tot bewijs van moed en zelfopoffering; en, de Burgemeester, die ook het zijne wilde doen, trakteerde zijne dappere burgers elk met eenen liter bier en twee mastellen.

Gezegde medaillie bevat, langs den eenen kant de beeltenis van Napoleon I met de woorden: Napoleon I Empereur, (Napoleon I Keizer), omgeven door eene kroon en langs de keerzijde draagt zij het volgende opschrift: Campagnes de 1792 à 1815 à ses Compagnons de gloire, sa dernière pensée Ste. Hélène, 5 mai 1821.  (Hetgeen in 't Vlaamsch beteekent :) Veldtochten van 1792 tot 1815.  Aan zijne Medegezellen van Roem, zijne laatste gedachtenis.  Sinte Helena, 5 Mei 1821.  Voorzeker was deze omstandigheid nogmaals voor onze oude strijders eene vernieuwing hunner vroegere heldendaden, en, weest er zeker van, dat zij onder elkanderen nog eens ferm de reeds verledene gebeurtenissen bespraken.

Ja, ziet ze daar staan, onze negen en twintig strijdmakkers met de medaillie op de borst, fier en vrank, met denzelfden moed bezield, zooals eenige jaren te voren.

En, vooraleer te scheiden, neemt onze vriend Polken het woord met het glas bruinen in de hoogte:

Broeders !  (zegt hij)

«Wij hebben gestreden met eer en roem voor een en der machtigste Vorsten van Europa !  Met de grootste hoop zijn wij 't leger binnengetrokken; met den meesten moed hebben wij ons op 't slagveld gedragen maar ook met de zoetste vreugd zijn wij huiswaarts gekeerd !  Wij mogen er fier op wezen soldaten van Napoleon geweest te zijn en onze plichten zoo goed te hebben volbracht.  Ge ziet de groote man heeft ons ook niet vergeten, want hij schenkt ons heden, als belooning voor onzen moed, de medaillie, die nu op onze borst prijkt en er vast zal aan gehecht blijven tot aan het graf.

Laat ons dan tot op den bodem den beker ledigen en roepen wij:

Vivat Napoleon !
Vivan ons !!»

Na deze vreugdekreten werd 't verzoek van Polken voldaan, en, na nog eenige vriendelijke woorden gewisseld te hebben, drukten de 29 Napoleonisten elkanderen de hand en scheidden, gansch voldaan, over den plechtigen stond, die zij hadden beleefd.

Het behoeft niet te worden gezegd, dat elke gedekoreerde in zijn huis met de grootste verwondering en nieuwsgierigheid werd verwacht.

Des anderen daags stond ons Polken met den meesten ijver op zijn werk, nog immer zijne moedige daden van het verledene herdenkende.

XI.  POLKEN VERHUIST.

Eenige jaren zijn verloopen en Polken was ondertusschen verhuisd.  Met tranen in de oog en had hij zijnen ouden getrouwen dienst verlaten en had geene woorden, krachtig genoeg, gevonden, om Siesken De Vrieze, bij wien hij, als kind ten huize, sedert zijne terugkomst van 't leger, was opgenomen en bij wien hij toch zoo wel was geweest, te bedanken.  Hij had zijnen oud-beschermer, die voor hem een tweede vader was geweest, en deszelfs huisgezin verlaten met de stellige belofte Siesken met vrouwen kinderen nooit te vergeten en hun altijd en overal ten dienste te zijn 't zij gelijk in welke omstandigheden.  Waarlijk, ons Polken meende, dat hij niet beter had kunnen spreken.

Hij oefende nu den kloefkapperstiel uit voor rekening van Vrouw de Beê bij wien hij inwoonde en die winkel hield in het huis nevens dit van den heer Notaris Cornelius Van de Wattijne.

De man van Vrouw De Beê was op zekeren dag uit zijn huis verdwenen en had nooit van hem meer laten hooren.  Waarheen hij zijnen toevlucht had genomen of wat er van hem geworden was is men nooit te wete gekomen.

Natuurlijk moest deze bedroefde vrouw, wilde zij hare zaken voortzetten, een trouwe knecht huren en meende dien gevonden te hebben in den persoon van Leopold Huughe.

XII.  OUDE KENNISSEN.

Het was een warme Maandag - namiddag in de maand Juni van 1827 en ook Kaprijk-jaarmarkt.

Op zekeren oogenblik komt er, als een geluksvogel in den werkstal, waar Polken bezig stond met kloefen te bewerken, iemand, als buiten adem, binnengevlogen.  Het was Mietje (30), de meid van den heer Notaris uit de buurt.  Polken en Mietjen hadden vroeger nog te zamen bij dezen Ambtenaar in dienst geweest en daar ook had de eerste de laatste leeren kennen.

(vervolgt).
 

__________________________

(17) Brest, stad aan alle zijden, maar voornamelijk langs de zee versterkt, 62.000 inwoners. (Nota v.d. schrijver). Terug naar de tekst

(18) Polen, dat van de kaart was verdwenen op het ogenblik van de Franse revolutie, was in 1806 in opstand gekomen tegen de Pruisische overheersing, bij het naderen der Franse troepen.  De 14e januari 1807, gaf Napoléon de Polen nieuwe hoop, toen hij het groothertogdom Warschau oprichtte.  Groothertog was de koning van Saksen die zich weinig om zijn nieuw gebied bekommerde.  Napoleon zag in de Poolse kwestie slechts een middel om een barrière op te werpen tussen Rusland en Pruisen. (Schrijver spreekt hier van het eiland Warschau I). Terug naar de tekst

(19) In 1808 drongen de Franse troepen Spanje binnen. Koning Karel IV deed troonafstand ten gunste van zijn zoon Ferdinand VII, maar Napoleon plaatste zijn broer Jozef-Bonaparte op de troon. Terug naar de tekst

(20) Voor de volgende vermelde steden Saragossa, Burgos, Valladolid, Pampelune en Bayonne heeft schrijver hier verkeerdelijk de oorlogsfeiten verteld die in 1808-1809 plaats vonden. Vermits we in het jaar 1812 zijn gaat het om de krijgsverrichtingen der Spanjaarden en Engelsen in offensief tegen Frankrijk. Saragossa werd na een lang beleg straat voor straat, huis voor huis ingenomen. Terug naar de tekst

(21) Burgos: in 1808 versloegen de Fransen er de Spanjaarden. In 1812 werd de stad door Wellington belegerd en in 1813 bezet. Terug naar de tekst

(22) Valladolid : ingenomen op 12 juni 1808, hoofdkwartier van Napoleon. Terug naar de tekst

(23) Pampelune: na de wanordelijke vlucht van Vitoria (juni 1813) trok Jozef-Bonaparte zich in de stad terug. Terug naar de tekst

(24) Bayonne: stad waar Napoleon in 1808 een samenkomst belegde met de afgetreden koning Karel IV en zijn opvolger. Hij nam hen gevangen en dwong hen er toe af te zien van al hun rechten op Spanje. Terug naar de tekst

(25) Het eiland Elba; hij ontscheepte op 1 maart 1815 bij Golf Juan. in de buurt van Fréjus. Terug naar de tekst

(26) De veldslagen van Lutsen en Boutsen vonden niet plaats in 1815 bij Napoleons terugkeer van Elba. maar bij zijn terugkeer uit Rusland in 1813. Terug naar de tekst

(27) Door het verdrag van Wenen (september 1814 - juni 1815) stond Oostenrijk onze gebieden af aan de Noordelijke Nederlanden. waardoor onze jongens verplicht werden dienst te nemen in het Hollands leger. Terug naar de tekst

(28) Baardbranderke : kort stenen pijpje, ook neusbranderke genoemd. Terug naar de tekst

(29) In 1821 had Bassevelde twee veldwachters Pieter De Giettener en Bernard Firi; gendarmen waren er niet (Nota van de schrijver). Terug naar de tekst

(30) Joanna Maria Bovijn, Leopold Huughe's toekomstige vrouw. Zie stamboom. Terug naar de tekst

Separator

De oude Napoleonist  1 - 2 - 3 - 4

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: