Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1974, 7de jaargang, nr. 2

Enkele gegevens over
de oorlog 1914-1918 te Boekhoute

Honderd en negen soldaten uit Boekhoute hebben de oorlog meegemaakt; tien jongens zjjn gesneuveld op het veld van eer.  Vier mensen, twee mannen en twee vrouwen werden gefusilleerd; en drie opgeeiste burgers kwamen niet meer weer.

De Duitse legers vielen het land binnen op 4 augustus 1914, en reeds vanaf de 20ste augustus zagen wij hier voortdurend treinen rijden met soldaten, kanonnen, auto's en ander materiaal in de richting van Antwerpen, dat als laatste vesting zou verdedigd worden.

In het station en langs de spoorlijn werd de wacht opgetrokken door de tweede jagers.  Op 27 augustus kwamen 100 vluchtelingen uit Mechelen; ze werden ondergebracht in de scholen en bij de burgers.  Zij vluchtten verder naar West-Vlaanderen en Frankrijk.

Aangezien er in ons land geen algemene dienstplicht bestond waren er overal burgerwachten, «gardes civiques», opgericht om het leger bij te staan.  Zij zouden dan ook het eerst moeten wijken voor de oprukkende vijand.  Op 7 september 1914 kwamen hier 370 burgerwachters uit Brussel, vermoeid en uitgeput.  Op 9 september 130 uit Gent.  Zij vertrokken op 28 september; dan kwamen er nog uit St. Niklaas en Dendermonde.  Doch op 29 september zagen we hier de eerste soldaten van de uittocht van Antwerpen en rond half oktober passeerden de steeds aanrukkende Duitse troepen komende van Assenede langs de Blauwe Poort naar Bassevelde.  De eerste Duitse bezetting te Boekhoute begon op 10 november 1914 en bestond meestal uit Polen van de Infanterie Landsturm, een reserve Ersatz Regiment n° 2, 12e compagnie.  Op 1 december 1914 werden ze afgelost door de Landsturm Inf. Bat. II Dortmund, 1e comp.  De Hauptman, Jacob Hoeltje was hier tot 26 april 1915.  Hij kreeg de bijnaam «Ko». Dan volgde er een Huzaren Regiment n° 17, 4e escadron.  De Ortskommandant was ingekwartierd bij Mevr. Ingels op het klein kasteeltje. Hij leek sprekend op een zekere persoon uit een naburige gemeente en hij kreeg dan ook onmiddellijk de bijnaam van «Cies van Parijs».  Zelfs zijn soldaten noemden hem «Francis von Paris».  Op 30 augustus 1915 zijn ze vertrokken naar het front en kregen we het Oldenburgische Dragonder Regiment n° 19 - 1e Landsturm Escadron.

In 1915 werd de bezetting zeer streng onder het regime van de Feldgendarmerie, de groene gendarmen en weer werd de commandant onmiddellijk gedoopt door Sekretaris De Vos met de naam van «Mijnheer Kamiel».

En nu uit de weg, want Mr. Kamiel was altijd gewapend met zijn karwats, een hondenzweep.  Veel inwoners hebben wel eens een klap gekregen.  Als men Mr. Kamiel tegenkwam dan moest men het gaanpad voor hem vrijmaken en zijn muts afnemen.

Reeds van in 1915 moest iedere burger steeds een paspoort bij zich hebben. Het werd afgeleverd door de gemeente en droeg een rode stempel «Kommandantur Ertvelde».  Maar Boekhoute kreeg nog een bijzondere stempel: «Bewohner des Grenzgebietes» en een grote E 4 : «Etappen gebiet 4e leger».  Voor de weerbare mannen van 18 tot 45 jaar stond er een derde stemel op «In Ueberwachtung» en zij hadden daarbij nog een witte «Meldekaart» want zij moesten zich iedere maand op het stadhuis aanmelden, om die kaart te laten afstempelen.  De eerste stempel droeg de datum 18 december 1915, de laatste 18 september 1918.

Men moest ook een vergunning aanvragen om te vissen.  Dat kostte 2 frank.  Maar het was verboden te vissen op een afstand van minder dan 100 meter van bruggen en sluizen, alsook op een afstand van minder dan 6 km. van de Nederlandse grens, zodat onze mensen maar in de Vliet gingen vissen.

In 1915 werd de ganse lengte van de grens Belgie-Nederland afgesloten door een ijzeren draad, de zogenaamde hollekensdraad, en dit tot op een hoogte van drie meter.  De grens werd voortdurend bewaakt door de Duitse grenswacht en de draad werd gedurende de nacht en ook geregeld over dag onder elektrische stroom gezet.  Zo trachtte de vijand het overlopen van jonge mannen naar het Belgisch leger, de spionnagediensten, het overbrengen van brieven en dagbladen en ook de smokkel, uit te schakelen.

De mensen op de haven moesten hun huizen verlaten binnen een afstand van 200 meter van de grens.  Op de haven was er ook op de baan naar Watervliet een slagboom of poort als versperring aangebracht.  De Kerktoren van Boekhoute werd door de Duitsers ingericht als een observatiepost en was dus altijd bezet.  Later werd ook de molen die op het kruispunt Noordstraat en Graafjanstraat stond (nu de hoeve van Den Hauwe) als 2e observatiepost gebruikt.  Er werd nog een derde post bijgemaakt: een houten toren, die stond in de Noordstraat, achter het café Bral.  Hier ontwikkelde zich, niettegenstaande de strenge bezetting, naast een intense smokkelhandel ook een belangrijke spionnagedienst, welke o.a. in verbinding stond met de heldhaftige Gabrielle Petit, een vrouw die zeer gewichtige opdrachten heeft vervuld, die zeer moedig en voorbeeldig was in haar gevangenschap en die toen zij gefusilleerd werd zelfs de eerbied afdwong van haar vijanden.  Haar standbeeld staat te Brussel en te Doornik.  Zij zelf zou verscheidene malen te Boekhoute zijn geweest.  Zeker is het dat zij langs hier haar verloofde heeft overgebracht naar Engeland (hij stierf aan het front).  Er wordt ook verteld dat Gabrielle Petit een vlot deed maken van oliepullen en zo ging zij over het water naar de sluis van Philippine, waar de burgemeester woonde, die met de spionnage-diensten zeer flink heeft meegewerkt. Ze zou zelfs eens in een gevaarlijke situatie met haar hoedespeld het oog van een Duitser hebben uitgestoken.

Gabrielle Petit werd in haar spionnagedienst geholpen door verscheidene mensen van Boekhoute: o.a. Leonie Rammeloo, Emilie Schatteman, Isidoor Van Vlaanderen en Karel De Waegenaere, die alle vier door de vijand gefusilleerd zijn te Akkergem op 12 september 1917.  Hyppoliet De Decker werd veroordeeld tot gevangenisstraf in Duitsland.  Ook Alfons Parez en zijn vrouw Magdalena Dierickx waren in de spionnage betrokken.  Ze woonden in de Graafjanstraat 3, vlak naast De Waegenaere.  Dit huis en ook het café en de winkel van Louis Goossens, Noordstraat 40, waren de twee verzamelplaatsen van al die moedige mensen.  Daar werden de spionnagestukken en de vele brieven voor de soldaten aan het front verzameld en weggebracht over de grens.

In het huis van Parez werden zelfs soldaten van de Duitse grenswacht uitgekocht zodat men wist wanneer men veilig onder of door de elektrische draad kon gaan.  Zij vroegen 500 mark per man die overging.  Moeder Parez smokkelde de spionnagestukken over, verborgen in houten klompen.  Men boorde gaten in het hout, daar stak men de fijn opgerolde stukken in, en de openingen werden met mastiek toegedaan en overschilderd.  Zo gooide moeder Parez haar kloefen dan over de draad.  Vader Parez heeft ook 3 Franse soldaten over de grens gebracht; één nochtans was onvoorzichtig en werd geelektrocuteerd.  Nog andere lotgevallen gebeurden aan de elektrische draad: Henri Rammeloo raakte de draad en was op slag dood.  Elisa De Vleesschouwer raakte met de hand de elektrische draad en werd de hand afgerukt.  August Bonte had meer geluk: toen hij brieven over de draad gaf, raakte hij die met de borst, doch hij kon met een boomtak, die hij nog kon oprapen, de draad wegduwen en was gered.  Op een nacht werden 5 Duitse soldaten bij vergissing door de grenswacht doodgeschoten.

In 1916 was Boekhoute bezet door Wurtenbergers.  De Hertog van Wurtenberg bracht een bezoek aan het kasteel Ter Leien, waar de hoge officieren hun intrek hadden.

Op zekere dag, in augustus 1917, werd de kleine René Parez, toen 8 jaar, uit de school gehaald en door de Duitse gendarmen ondervraagd aangaande de gedragingen van vader en moeder.  Het ventje was slim genoeg om niets te verklappen, maar toch werd vader aangehouden samen met De Waegenaere en naar het gevang van Gent overgebracht en moeder en kinderen werden het huis uitgezet en verplicht een onderdak te zoeken in Gent.  Dit gebeurde ook met 6 andere gezinnen: Petrus Dierickx, August Vervaek, Leonie Versluys en dochter, vrouw Karel De Waegenaere en kinderen, vrouw Henri De Greve en zoon Medard (haar man werd naar Duitsland verbannen), Theofiel De Greve en kinderen.

Hoe gebeurde de bevoorrading tijdens de oorlog ?  Er werd een «comiteit voor voedselbedeling» opgericht, gevestigd in de Weststraat, want alles was gerantsoeneerd en wat over de grens gesmokkeld werd, was peperduur.  Het was ook een gevaarlijke karwei die 's nachts moest gebeuren.  De bevoorrading kwam uit Amerika.  De eerste uitdeling van witte bloem gebeurde in de jongensschool.  Iedereen was gelukkig.  Op de bloemzakjes stond: «Gift to the Motherland.  Commission for Relief in Belgium».  Later kregen we nog geregeld maïsmeel en spek, bevroren vlees en melkdozen.  Ook de «Volksoep» kwam tot stand in de gewezen drukkerij, naast de melkerij Isabella.  Iedere dag werd er soep bedeeld aan de behoeftigen mits betaling van 10 centiemen, ook de anderen kregen een 1/2 liter iedere zondag na de hoogmis.

Als er kolen, d.i. slam of afval waren, werden die aan de spoorwegwagen uitgedeeld.

Einde 1916 kregen we hier aan de grens een Duitse gendarm in burgerkleding, Pierken geheim genaamd.  Hij was de schrik van de gemeente en omstreken.  Men noemde de feldgendarmen gewoonlijk: de Markenpakkers.

In 1917 werden vele burgers opgeeist, vooral ambachtslieden, schrijnwerkers en metsers.  Zij moesten gaan werken aan het front in West-Vlaanderen.  Ze werden slecht behandeld en hadden veel te lijden: gebrekkig onderdak, koude en honger.  Velen zijn daar ziek geworden.

Duitse grenswachters en leden van de bevoorradingsdienst bij de grenspost de Posthoorn te Boekhoute, in 1915.
Foto uit de verzameling van dhr. De Laender, Boekhoute.

Op 10 maart 1917 kwam de verordening dat alle koper en andere metalen moesten ingeleverd worden.  Alles werd kapotgeslagen en weggevoerd.

In september 1917 werd alle wol opgeeist.  De Duitsers betaalden de wol van 1,50 mark tot 4,40 mark per kilo.  De oude spinnewielen kwamen terug in werking en dag en nacht werd er gesponnen.  Men was niet weinig fier een paar kousen te kunnen tonen van zelfgesponnen wol.  Ook de wijn moest binnengeleverd worden.

Alle flessen werden onmiddellijk opgestapeld in een wagon aan het station.  Doch de wijn was niet voor de ganzen gemaakt en in die dagen zag men vele burgers en natuurlijk ook Duitse soldaten waggelen door de straten van Boekhoute.

Bedeling van soep in de melkerij, Weststraat, onder de oorlog 1914-18, bezorgd door de Bevoorradingscommissie, met behulp van de «Commission for Relief».
Foto uit de verzameling van dhr. De Laender, Boekhoute.

Aan de grens bereikten de smokkeltochten wel hun hoogtepunt, temeer omdat de Duitse soldaten die steeds minder en minder te eten hadden, nu ook meesmokkelden.  Doch tijdens een smokkelpartij werd Kamiel de Marlie de arm afgeschoten.  Want sommige grenswachters en vooral de Feldgendarmen waren zeer streng en echte moordenaars.

Een jonge man uit Valenciennes, die probeerde door de elektrische draad te komen, werd dood aangetroffen.  Er had een lijkdienst plaats en de kerk was vol volk.  Hij werd begraven op het kerkhof van Boekhoute.  Het gebeurde soms ook dat een Duitse soldaat wilde deserteren en wanneer hij aan de draad bleef hangen werd hij in alle stilte naar het kerkhof gevoerd.  Dit is zeker driemaal voorgekomen.  Op zekere dag vond de grenswacht een pijl met een brief aan verbonden.  Daarom moesten nu ook alle bogen en pijlen binnengebracht worden op het stadhuis.  Er werd een tweede draad gespannen op 200 meter van de elektrische draad.  Veel grensbewoners moesten hun huis en hoeve verlaten en in andere gemeenten onderdak zoeken.  Ook werd het moeilijk om van de Duitsers een paspoort te krijgen om van het grensgebied naar het zogenaamde etappengebied te gaan.  Ze vroegen nu voor een paspoort goud of zilveren geld.

Reeds vroeger was het verboden aan soldaten en burgers tezamen in dezelfde herbergen te gaan.  Sommige drankgelegenheden moesten dan een opschrift voor het venster plaatsen: «Für Deutsche Heeresangehörige verboten».  Maar vanaf 22 april werden alle drankhuizen gesloten.

Einde 1917 kwamen hier jonge soldaten, Elzassers, aan.  Zij mochten de dorpskom niet verlaten en geen Frans spreken met de burgers.  Zij werden gedrild door Pruisische officieren.  Na enige tijd zijn ze naar het front van Langemark vertrokken waar zeer velen van hen gesneuveld zijn.

Op zekere dag landde op de hofstede van Venantius Geirnaerd (nu Raymond Van Driessen) een Duitse vlieger, een «Faübe»; hij werd gedemonteerd en per kamion weggevoerd.

Er werd vernomen dat eerwaarde heer Jules De Buck, oud-onderpastoor van Boekhoute en toen werkzaam te Beveren-Waas, werd aangehouden en naar Duitsland verbannen, omdat hij in het geheim briefjes had uitgedeeld: Oeuvre le Mot du Soldat.

Op 9 en 16 juni 1917 werd er een liefdadigheidsconcert gegeven ten voordele van de krijgsgevangenen.  Er was zeer veel belangstelling vanwege al onze mensen.

Begin 1918 moest de gemeente Boekhoute stro leveren voor de fabriek Kuhlmann te Zelzate.  Gelukkig was het een Elzasser onderofficier die de controle had.

Iemand sprak met hem in het Frans en hij liet toe op iedere fiche 100 kg. meer te schrijven dan er werkelijk afgeleverd werd.

In 1918 bevolen de Duitsers dat in ieder huis op de binnenkant van de voordeur een lijst moest aangebracht worden, waarop de namen stonden van al de bewoners, hun geboortedatum, beroep, nationaliteit, geslacht en familiestand.

In oktober 1918 had boven Statie en Hendeken een luchtgevecht plaats: één Engels vliegtuig tegen 10 Duitse.  De Engelse vlieger werd neergeschoten en viel in een weide aan de Asseneedse Kasseide.  De 2 vliegeniers: Kapitein Haynes en Sea en luitenant Brown waren op slag dood. Ze werden een paar dagen later met militaire eer begraven op het kerkhof.

Einde oktober 1918 hadden de Duitsers op een weide in de Ooststraat een kabelballon opgehangen, om de artillerie tot steunen te dienen.  Maar pas een uur in de lucht, het was op een zaterdagnamiddag, kwam er een klein jachtvliegtuig door de wolken gestoken van over de Hollandse kant en tak, tak, tak ging het en de ballon schoot in brand.  De inzittende Duitser kon zich met een valscherm redden.  De piloot van het vliegtuig was de heldhaftige Willy Coppens.

Het was ook in deze laatste maand, dat alle weerbare mannen van 18 tot 45 jaar zich met pak en zak moesten aanmelden.  Ze werden door een paar Duitsers uitgedreven over Zelzate, Beveren, Haasdonk naar de forten van Antwerpen.  Vier jongens van Boekhoute zijn tengevolge van griep en ontberingen overleden.  De epidemie, de zogenaamde Spaanse griep, was algemeen en moordend.  Er waren ook geen geneesmiddelen meer.  Overal, in alle dorpen, zijn tientallen mensen en ook veel Duitse soldaten daaraan gestorven.

De weerbare mannen van Watervliet en omstreken werden in de kerk van Boekhoute opgesloten.  De kerk was ontruimd en vol stro gelegd.  Dit gaf jammerlijk ook aanleiding tot onterende gedragingen.

Einde oktober kregen we als bezetting een compagnie Mariniers.  Die soldaten hadden aan de Belgische Kust veelal een luilekker leven doorgemaakt en zij gedroegen zich hier ook als een rumoerig en brutaal volk.  Al zingend liepen ze door de straten en gingen van de ene herberg naar de andere.  Er was ook geen tucht meer.  Een dronken soldaat rukte de kepie af van het hoofd van een officier.  Hij gooide het hoofddeksel de lucht in.  De officier durfde niets zeggen en scheen al blij te zijn zijn hoofddeksel te mogen oprapen.  Wij hoorden zelfs al spreken over een «Soldatenrat», afzetting van de keizer en van revolutie.  Het einde van de oorlog scheen te naderen.  Toen de mensen op Allerzielen buiten kwamen, merkten ze dat alle Duitsers vertrokken waren achter het kanaal Gent/Terneuzen.  Ze hadden nog de rails van de spoorweg en de brug aan het station vernield.  Daar zouden ze nog front maken tot aan de Wapenstilstand, 11 november.

Geruchten deden de ronde dat de Belgen reeds te Kaprijke waren.

En inderdaad, in de namiddag kwamen de eerste Belgische soldaten door de Weststraat tot aan het klooster.  Het was een verkenning en ze moesten nog terug naar hun eenheid.  Boekhoute was bevrijd en de vreugde was geweldig.  Enkele muzikanten kwamen te zamen en van op de uitkijkpost werd het volkslied gespeeld.  Al spelende trokken ze naar Bassevelde waar de eerste patrouille Lanciers te paard werd afgehaald en triomfantelijk Boekhoute binnentrok.  Hoe al onze mensen zo snel «La Madelon» en «It's a long way to Tipperary» konden meezingen, is een vraagteken.

Op 11 november kwam officieel de Wapenstilstand.

We eindigen met een paar liederen uit de bezettingstijd:

't En komt er op genen Duits opaan
Zegt de Engelsman
En aan de IJzer
Daar krijgt de Keizer
Toebak, toebak,
nen hele zak.

En keizer Willem twee
Kwam met zijn leger door Belgie gereden.
En daar kwam hij op een plaats
Waar hij moest blijven staan,
Want de IJzer lag daar,
met zijn water zo diep voor de Duitsers,
En daar kreeg hij klop op klop
Op zijn marmeladen-kop

PAUL VAN BRITSOM
Ere-Pastoor

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: