Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1974, 7de jaargang, nr. 4

DE VOLKSZANGER TAMBOER

Op 10 mei 1974 overleed vrij plotseling de beroemde volkszanger Lionel Bauwens — alias «Tamboer» — in de Kallestraat 20, te Adegem.  Met hem verdween een folkloristische topfiguur uit een tijdperk, dat wij thans als volledig afgesloten mogen beschouwen.  In de periode tussen de twee wereldoorlogen was Tamboer werkelijk een begrip geworden voor het volksleven in Vlaanderen; overal was hij populair, geliefd en onmisbaar.  Met zijn zelfgemaakte teksten, zijn radde tong en zijn pittige — maar vaak pikante — kwinkslagen, bracht hij elk publiek in vervoering.  Onverpoosd reisde hij de steden en de dorpen van het platteland af en hij oogstte allerwege een enorm succes.

Lionel Bauwens, alias Tamboer

Lionel Bauwens werd geboren te Eeklo op 15 december 1892 en het was dus op 82-jarige leeftijd dat een hartaanval hem velde.  Nauwelijks zestien jaar oud en werk­jongen in een weverij, debuteerde hij reeds als liedjes­zanger op de markt.  Met bewerkte en heraangepaste teksten op bestaande populaire melodieën trok hij het Meetjesland en gans Vlaanderen door.  Zijn liederen waren vaak romantisch-naïef, soms stuntelig van taal, maar steeds gevat en direkt.  Tamboer schrok ook niet terug voor dubbel­zinnig­heden; maar op elk van zijn gedrukte teksten kwam de vermelding voor :  «Dit repertorium mag door groot en klein gezongen worden en bevat niets kwetsend tegen de goede zeden».

Waar er volk bijeen was, daar kon men Tamboer vinden : op markten en kermissen, aan fabrieken, kazernes en mijnen.  Hij speelde, hij zong en schreeuwde, hij weende en vloekte; hij mocht stoute waarheden zeggen, hij mocht de mensen uitkaf­feren, men verdroeg dat.  Eigenlijk gaf hij, op het psycho­logisch gepaste ogenblik, datgene wat de gewone, weinig ontwikkelde volksmens van toen vroeg.  Hij verdiende een massa geld door het verkopen van zijn liederenteksten.  Te Brugge verkocht hij er eens 7000, op één zaterdag.  Zij kostten aan Tamboer drie à vier centiem en de verkoopprijs was één frank, later zelfs twee...

«Hij kon schatrijk geweest zijn.  Maar hij liet het geld rollen.  Niettemin was hij de eerste autobezitter in Eeklo, de eigenaar van een nieuwe Ford van 39.000 frank, die bij aflevering kontant betaald werd.

De zondag was zijn drukste dag.  Dan bezocht hij per voormiddag twee à drie dorpen dicht bijeen, waar hij na de missen de boeren opving.  Hij was zo populair bij de pastoors, dat hij op de ene parochie de preek iets korter deed duren en op de volgende parochie de preek iets langer, zodat hij voldoende tijd kreeg om na zijn eerste optreden nog vlug het einde van de hoogmis op een andere parochie te halen.

Toen een pastoor hem in zijn preek er eens van beschul­digde een «goddeloze kerel» te zijn, omdat hij (slechte) liedjes zong op een zondag, bezwoor Tamboer hem die woorden de zondag daarop te herroepen :  «Ik zal onder uw preekstoel staan luisteren en als ge het niet zegt, kom ik zelf eens naar boven tot bij u...»   Hij werd in ere hersteld» (Taptoe Aalter-Zomergem», 1ste jaarg., nr 15, donderdag 23 mei 1974, pag. 1 en 2).

Honderd­duizenden mensen hebben aan Tamboer plezier beleefd, in een tijd toen men nog zo weinig verwend was.  Hij leerde de volks­mens zingen, deed hem lachen of wenen naargelang de omstan­dig­heden.  Lionel Bauwens zal in de Vlaamse folklore bekend blijven.

«Hij was de «sprekende gazet», de voorloper van radio en televisie.  Waar hij was, was er volk en werd er beurte­lings gelachen of geweend.  Hij is het toonbeeld van «die goede oude tijd», waarin de mensen veel gelukkiger leefden en 's avonds gezellig samen achter het haard­vuur allerlei verhalen (en liederen) opdisten» (idem).

Toen was de marktzanger een figuur, een welkome gast in de steden en dorpen, tientallen jaren lang.  Hij bezong met voorliefde tragische gebeurtenissen, «gruwelijke en afgrijselijke moorden», in vele «koupletjes» of strofen en refreinen.  Om zijn lied kracht en expressie bij te zetten, had hij dikwijls een plakkaat bij, met een ruwe maar treffende tekening die op zijn liedje betrekking had.  De mense­lijke zwakheden wist hij op uitzon­derlijke wijze in zijn liederen te belichten en te hekelen.  Maar hij wist ook in ontroe­rende bewoor­dingen een of andere grote liefde te bezingen.  Hij gaf zelfs vorm aan die geruchten die, onder de dekmantel van de anonimiteit, van mond tot mond gefluisterd werden.  En soms trad hij ook op als de verdediger van de kleinen en zwakken en als dienaar van het recht en van de rechtvaardigheid.  In die zin heeft Lionel Bauwens onge­twijfeld ook een sociale rol gespeeld.

Lionel Bauwens, alias Tamboer

Met zijn teksten over «De Bende van Adegem» en over «De Zaak van Beernem» was Tamboer op alle markten en op alle dorpspleinen de grote aantrekkelijkheid en jong en oud kochten zijn liedjes.  Reeds in de namiddag werden die thuis verder aangeleerd en herhaald en 's anderendaags lagen zij al op ieders lippen...

«Met de liedjes over de moord op Hector De Zutter te Beernem werd Tamboer voorgoed populair.  In drie jaar tijd maakte hij daarover elf teksten, naargelang de verwikkelingen in het onderzoek.  De mensen kochten toen soms 10 à 12 liedjes tegelijk, om ze verder te verkopen aan hen die niet naar de markt konden gaan.  's Avonds in familiekring werden al die populaire deuntjes vaak herzongen.

Tamboer, die een zeer stoute tong had, maakte al zijn teksten zelf.  Met zijn publiek deed hij wat hij wilde.  Hij liet hen beurtelings lachen en wenen, zitten en opstaan, zelfs dansen en kabaal maken.  Toen hij zich eens per toeval opstelde naast het «Circus De Muynck», bleef iedereen rond hem staan.  Geen kat keek naar het circus om, tot Tamboer terug was opgestapt.

Na de oorlog (1940-45), met de komst van radio en t.v., schakelde Tamboer over naar de marktverkoop.  Met scheer­mesjes (artikel waarmee zijn zoon Willem later beroemd werd), bereikte hij een nieuw hoogtepunt in zijn carrière».  (Taptoe, idem, pag. 2).

In 1965 kwam een interessante reportage over Tamboer voor de Vlaamse televisie; ook Willem Bauwens, zijn zoon, en Frans Jacobs werkten daaraan mee.  Het volgende is aan de tekst van deze reportage ontleend :

Reporter :...  Helaas, radio, pick-up en film hebben de liedjes­zangers van onze markten verjaagd.  Eén daarvan was op nagenoeg alle Vlaamse markten een gekend personage, namelijk Lionel Bauwens, alias Tamboer, uit Eeklo, die sedert geruime tijd te Maldegem woont.  Het is ook met zijn zoon Willem — Belgisch kampioen der demonstreerders — en met Frans Jacobs, de jaren­lange partner van Tamboer, dat we vanavond kennis maken.
- Wel, Tamboer, wanneer bent u feitelijk begonnen in het openbaar te zingen ?
Tamboer :  Toen ik twaalf jaar oud was.  Dat was in 1904.  Ik zong toen met mijn vader.

Reporter :  Het zat dus in de familie.  Maar in 1904, wat waren toen zoal de onderwerpen die voor liedjes in aanmerking kwamen?
Tamboer :  Dat was de tijd dat te Gent de paardetram door de elektrische tram werd vervangen.  En dat moesten we natuurlijk bezingen.  Dat ging zo...  (Tamboer zong het refreintje).

Reporter :  Kunt u ons nog een ander voorbeeld geven van een liedje uit die tijd ?
Tamboer :  Oh, ja, het liedje waarin de eerste margarine werd bezongen.

Tussen haakjes :  dat liedje werd gemaakt op verzoek van een paar boeren, die vreesden dat de verkoop van margarine hun boter zou doen afslaan.  De margarine had toen de naam van «Fitello».  Dat ging zo...  (Tamboer zong het refreintje van «de Fitello»).

Reporter :  Wanneer begon u voor eigen rekening te zingen ? Tamboer :  Dat was in 1911, toen ik getrouwd ben.

Reporter :  Toen waart u 18 jaar oud, als ik het goed voor heb ?  Tamboer :  En mijn vrouw was mijn eerste partner.

Reporter : Maar heeft de eerste wereldoorlog uw loopbaan niet onderbroken ?
Tamboer : Helemaal niet.

Willem Bauwens : Toen de Duitsers onze streken in 1914 naderden, zong vader met veel succes een misschien naïef liedje, maar dat u vooral moet zien in de gemoedsstemming die de mensen toen hadden.  De woorden ervan luidden als volgt :

«Wij zijn van 't Vlaamsche bloed,
«Wij strijden met leeuwenmoed,
«Wij zullen sterven ofwel overwinnen !
«Wij zijn soldaten die elkaar beminnen...»

Reporter : Maar eens dat ook die noord-westhoek van ons land bezet was, mocht u dan nog zingen ?
Tamboer :  Ja, maar ik moest de toelating hebben van de Kommandantur Eeklo, en dat liep niet altijd van een leien dakje.  De Kommandantur te Eeklo was toen gevestigd in dat gebouw te Eeklo-Issidi.  En daar heb ik eens een goede grap meegemaakt.  (Tamboer vertelde de anecdote met een Duits kommandant).

Reporter : Maar na de oorlog waren het zeker niet de onderwerpen voor liedjes die ontbraken?
Tamboer : Ik herinner me nog ons eerste liedje na de bevrijding.  Dat ging zo :

«Wij strijden samen, hand in hand,
«Al voor ons dierbaar vaderland,
«Want 't is met dienen Duitschen held...»
en zo meer...

Reporter : Maar als ik het goed voor heb zongen jullie in groep.  Gans het huishouden was erbij betrokken en Frans Jacobs, uit Gent, werd uw partner.  En jullie hadden een speciale kledij en er was ook begeleiding ?
Willem Bauwens :  Natuurlijk.

Vader droeg een blauwe kiel, een boeren pet op het hoofd en een rode halsdoek.  Hij was de accordeonist.  Ik hield het slagwerk.  De speciale kledij van Frans Jacobs beperkte zich tot een soort cowboyhoed.

Reporter :  En de woekeraars, hadden die het niet te verduren, zo kort na de oorlog ?
Tamboer :  Natuurlijk !

Reporter :  Kunt u ons niets zingen dat daarop betrekking heeft gedaan ?  Maar dan zoals jullie dat normaal deden, t.t.z. met de aangepaste kledij en met de nodige begeleiding.

Tamboer :  Dat kan misschien gaan.  Maar voor de uitslag ervan sta ik niet in !  Wel, trek dan maar eens jullie kledij aan.  Ik neem geen verantwoordelijkheid !  (Terwijl hij zich aankleedde :)  Want 't is al lang geleden dat we dat liedje zongen en of het nog zal gaan om accordeon te spelen, is nog een andere vraag.  Maar we zullen het proberen...  (Tamboer kondigde zijn liedje aan, zoals hij dat vroeger op de markt deed, om het volk aan te lokken; en alle drie zongen :)
Het trio :

«Wat gaan de boeren doen
«als d'eiers weerom staan aan een kluit ?
«Wat gaan de boeren doen
«als de woeker er heel is uit,
«als de boter vijftien knotsen zal staan...» enz.

Reporter :  Maar na de oorlog ? Toen in die streek daar, als het ware als nasleep van het oorlogsgebeuren, tal van dieven- en smokkelbenden ontstonden, hebben deze dan niet voor onderwerpen van liedjes gediend ?
Willem Bauwens :  Het Meetjesland, gelegen bezuiden de Nederlandse grens, met zijn kleine dorpen, zijn afgezonderde pachthoeven, was een ideaal terrein voor dievenbenden.  We moeten het ontstaan van die benden beschouwen in het licht van de ontreddering die de oorlog tot nasleep heeft.

Daar aan de grens kunnen de douaniers u nu nog vertellen over sombere smokkelzaken.  Tijdens de eerste oorlog, toen Nederland neutraal was, tierde de smokkel welig aan deze noordergrens.  Het volk uit de noordwesthoek van ons land had leren gevaarlijk te leven.  Sommigen zetten ook later dat gevaarlijk leven voort.  Natuurlijk maakten we liedjes !

Tamboer :  We bezongen dan de bende van Adegem, deze van Van Hoe Verstuyft, en zo meer.

Reporter :  Dat was de periode 1920-21.  Maar wat was in de periode tussen de twee wereldoorlogen uw grootste succes?

Tamboer :  Dat was de zaak van Beernem, die vier jaar lang de gemoederen in Vlaanderen heeft beziggehouden.

Willem Bauwens :  Mijn vader maakte daar elf vervolgen op.  Hij werkte samen met het weekblad «'t Getrouwe Maldeghem».  We mogen zeggen dat vader, in samenwerking met Victor De Lille, een leeuwenaandeel heeft gehad, in de bestraffing van de zogenaamde betichten.  De zaak zat zo ineen.  Hector De Zutter werd vermoord.  En ofschoon iedereen in de streek de (vermoedelijke) schuldigen met de vinger aanwees, ontkenden zij hun misdaad en stond het gerecht als het ware machteloos.

Tamboer : Ons eerste liedje legt de zaak goed uit, want het lijk van Hector De Zutter werd pas weken na zijn dood gevonden :

«'t Is reeds maanden geleên
«Dat een jongen verdween
«Uit zijn huis, uit de vreugd' en 't geluk.
«Hij was stil van gedacht
«En door ieder geacht.
«Maar op een somberen nacht :
      Refrein :
«Toen hij niet meer verscheen
«Was er smart en geween,
«In zijn huisje en bij iedereen.
«Overal zocht men rond,
«Maar geen mensch die hem vond !
«Een gerucht liep van mond tot mond : 
«Is hij soms niet versmoord ?
«Door bandieten vermoord ?...
«Neen, van hem werd reeds niet meer gehoord.
«Zekeren dag kwam er blijk :
«Men ontdekte zijn lijk,
«In het water versmoord en beslijkt...» enz.

Willem Bauwens :  Na drie jaar werden voor het Assisenhof van Antwerpen de zogenaamde betichten veroordeeld, die nochtans tot het laatste toe (en ook later) hun onschuld staande hielden...

En toen zongen wij :

«Onschuldig ! dat zweeren wij voor God en wet.
«Onschuldig ! worden wij voor 't Gerecht gezet !
«Maar geene bewijzen
«Dat het soms een ander heeft gedaan...» enz.

Reporter :  Maar hebt u geen moeilijkheden gehad in die tijd ?

Tamboer :  Dikwijls.  Maar vooral te Beernem ging het eens zeer slecht.

Ik kreeg een telefoontje «dat de daders bekend hadden».  Natuurlijk maakte ik daarop vlug een liedje, met een passend «tableau».  Ik ging dat zingen te Beernem, na het einde van de mis !

Toen ik daar goed en wel opgesteld stond, zag ik tot mijn grote verbazing de veldwachter, één van de beschuldigden, buitenkomen.  Ge kunt u voorstellen dat die zaak niet van een leien dakje liep !...

Reporter :  En dan met de mobilisatie in 1939 ?

Tamboer :  Ja, ik was er weer rap bij.  Ik zong een anti-oorlogsliedje, «Moeders Oorlogsdroom» getiteld (zeer anti-militaristisch).  Maar dat beviel niet aan iedereen en ik werd aangehouden !

Willem Bauwens :  En dan wellicht het grootste succes van die periode : «Ik heb de wereld van uit een vliegmachien gezien...»  (Hij zong een paar zinnen, niet meer).

Reporter :  En hadden jullie tijdens de jongste oorlog geen moeilijkheden, want ik veronderstel dat jullie niet hebben opgehouden te zingen ?

Frans Jacobs :  Ja, moeilijkheden waren er bij de vleet, o.a. te Tielt en te Moeskroen, b.v.

Tamboer :  En Jacobs moest uitleg gaan geven (aan de Duitsers), uitleg die gelukkig aangenomen werd.

Reporter :  Waarover ging het feitelijk?

Tamboer :  Over een (zeer dubbelzinnig) liedje, getiteld :  «Als duistere wolken verdwijnen, zal de zon weer schijnen».

(De Duitsers vermoedden natuurlijk wel dat zij die «duistere wolken» waren !)

Ook na de jongste wereldoorlog bleef Lionel Bauwens nog lang actief.

De allerlaatste jaren van zijn leven sleet hij rustig in de Kallestraat te Adegem.  Niettemin bleef hij wijd en zijd bekend als «de» grote volkszanger.  Naar de vele verhalen over hem konden ook de jongeren nog met spanning luisteren.

«Eenmaal nog deed hij een wederoptreden als straatzanger, verleden jaar in Pittem (op Zotte Maandag 1973).  Wat daar oorspronkelijk slechts voor één uur was gepland, groeide er uit tot een onvergetelijke attractie, waarnaar honderden mensen bleven staan luisteren» (Taptoe, idem, pag. 2).

Het is bijna zijn zwanezang geweest en tevens zijn afscheid.  Maar tot de laatste dag bleef hij opgeruimd en hield van zijn «druppeltje» en van het milde leven.  In lengte van dagen zal Tamboer een zeer boeiende topfiguur blijven in de Meetjeslandse volkskunde.  Al zijn liederen dienen zorgvuldig bewaard te worden.  Wij laten hierna een paar specimen daarvan volgen.

ALF. RYSERHOVE.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: