Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1975, 8ste jaargang, nr. 3

Gezien in het Heemkundig Museum te Eeklo.

DE KARN

Melk en de melkbereiding zijn voor de Vlaamse boer altijd van zeer groot belang geweest.

Daar het karnen vroeger uitsluitend een huisnijverheid was, is het voor de handliggend dat we te onzent tot vóór enkele jaren op iedere hofstede een karn aantroffen.  Het type was in funktie van de grootte van de melkveestapel.

Vanzelfsprekend zijn de ouderen nog vertrouwd met deze zuivelverwerkende toestellen.  Wel stellen we vast dat reeds heel wat jongere bezoekers en dan in hoofdzaak stadsbewoners, thans totaal onwetend zijn nopens hun doel en werking.

Het is geenszins onze bedoeling de zuivelbereiding in haar geheel te behandelen, maar wel de gereedschappen die erbij gebruikt werden en tevens in ons museum aanwezig zijn, eens beknopt in het daglicht te stellen.

Toch vonden we het noodzakelijk een schets te geven van de boterbereiding, om als dusdanig de overige gereedschappen die we later hopen te behandelen, beter in het proces te kunnen onderbrengen.

Aanvankelijk en in hoofdzaak bij de kleine boer karnde men met volle melk (1).

De verse melk werd gefilterd door een zeef en afgekoeld.  Vervolgens werd die in een open vat gegoten waarin reeds de melk van de vorige dagen aanwezig was en die te verzuren en te dikken stond.

's Winters moest het vat zelfs bij de haard of Leuvense stoof worden opgesteld om de room vorming te bespoedigen.  Bij kleine hoeveelheden werd de room niet van de melk afgeschept maar ging geheel de karn in, om geboterd te worden.

Landbouwbedrijven met een grote veestapel karnden van de zaan, d.w.z. dat de melk in de kelders in brede, ondiepe stenen teilen gegoten werd om, als de room gescheiden was, de ondermelk af te laten. De room zette men dan eveneens te rijpen bij de haard.

Dan pas kwam het ware labeurwerk. De staf moest een paar uur op en neer bewogen worden in de dikke melk tot de boter kwam.

Vervolgens werd de boter in water gekneed en bewerkt met de boterkam; dit is een cirkelvormig mes waarvan de snede uit fijne tandjes bestaat en waarmede de onzuiverheden uit de boter werden gekamd.

Kleine boeren kneedden de boter in de houten boterschotel. Voor grote hoeveelheden kende men platte kuipen.

Van zodra het waswater klaar was, werd de boter gezouten en tot klompen samengedrukt.

Na enkele dagen bewerkte men de boter terug, om de laatste resten pekel en water eruit te kneden.

Indien de boter voor de handel bestemd was, werd ze veelal in houten vormen tot «pondekens» herschapen.

De stande met stoter

De stande werd ook stampkarn genoemd.  Ongetwijfeld is het de primitiefste en oudst gekende karn te onzent.

Was hij oorspronkelijk algemeen in gebruik, vlug werd hij in sommige streken verdrongen door een meer volumineus of minder lastig roerprocédé.

Laten we het vat en de stamper van nabij bezien: Het type dat we bezitten is een aarden, twee-orige pot die tot karn diende.  Het kon een eenvoudige smoutpot zijn waarop een houten deksel werd gemaakt, met een gat middenin, waardoor de steel van de stamper op en neer bewoog.

De stoter zelf was vervaardigd uit een lange, ronde houten staf, die onderaan voorzien was van een ronde schijf, al dan niet doorboord met gaten.

Als kind heb ik nog gezien dat men twee zware stenen op de scheel plaatste om gedurende het stampen de houten plaat op haar plaats te houden.

Tevens werd de ruimte tussen de steel en het gat in het deksel gedicht met een propere vod.

Kwam die karnwijze met aarden pot en stoter min of meer verspreid voor, dan waren het toch in hoofdzaak de kleine boeren met hun «één à twee koeikens» die van een dergelijk exemplaar gebruik maakten.

Hoe belangrijk het zelf bereiden van boter was voor onze voorzaten, mag blijken uit het volgende:

Toen in 1644 Jan de Vulder fs jan, gehuwd met Maeyken de Busschere kwam te overlijden werd zijn boedel te koop gesteld.  Onder al zijn «catheylen» troffen we heel wat zuivelgereedschap aan.  Zo o.a. eenen roemstandeke 3 s. 10 gr, eene botercuypken 2 s. 1 gr, een keren stande 6 s. 3 gr, eenen botercom, een aerden stemyn ende twee melckcannekens, een melcksye, ende tinnen boter schotele.

Na het overlijden van Jacob Huysman, eveneens landbouwer, werden op 28 maart 1646 zijn bezittingen ook van de hand gedaan. Onder het verkochte treffen we hier een melc teele schotele 8 gr, een romstemde 3 s. 6 gr en een stande 14 gr aan.

Laurens Auwerroghe, die beenhouwer van stiel was, bezat in 1657 ook een niet onaardige uitzet aan zuivelalaam, een houten boterschotel, melcsye ende erden pot 1 s. 4 gr, een boterkuype 10 gr, een suyweltrewele... (2)

Een heel recente toepassing op de stampkarn, die we echter alleen bij onze «keuterboerkens» aantreffen, is het karnen in de melkkan zelf, zoals blijkt uit schets nr. 3.  Het spreekt vanzelf dat het hier gaat om zeer kleine hoeveelheden, die dan ook uitsluitend bestemd waren voor eigen gebruik.

De staande platte karn

Bleven de oude, kleine standen deels in gebruik, sinds de 18de eeuw werden die op de grote hoeven vervangen door het staande vat met draaistaf (zie tekening nr. 1, blz. 85).

Het was een lage kuip, ca. 50 cm hoog, die schuin weg naar boven toe vernauwde en met een hemel afsloot. Het geheel was geklemd met drie banden.

De staf die vertikaal in het vat stond, draaide langs onder met een ijzeren pin in de bodem. Het roerblad, dat dwars door de staf ging, was met gaten doorboord, in ons geval respektievelijk 16 en 4, en waarvan de ene helft maar een kwart oppervlakte had van de andere; dit om een zo homogeen mogelijk geklutste massa te verkrijgen.

Langs boven was er een handvat om het roeiblad heen en weer te klutsen.

Een vierde van de hemel kon met twee wervelkens losgemaakt worden om de kuip en de roerder te reinigen.

Het nadeel van dergelijk type was, dat het bedienen steeds door twee personen gelijktijdig moest geschieden.

Niettegenstaande hij te onzent wel in gebruik was, waren het toch meer de boeren van het Zuiden van Vlaanderen die deze platte keern, ook wel Deense keern genoemd, verkozen.

De polderboeren verkozen de draaikarn, waarbij de as aan beide zijden van de bodem bevestigd was en aldus als een rollend vat horizontaal draaide.

Helaas is in het museum een dergelijk exemplaar niet aanwezig.

Wel bezitten we er een recentere variante op, namelijk de tuimelkarn.

Tuimelkarn

Ook wel tuimelvat of tuimelaar genoemd.

Het tonvormig vat, dat in een houten raam door middel van een zwengel aanhoudend over de kop tuimelt, kwam in gebruik samen met de melkontromers omstreeks 1900.

Zoals de foto duidelijk laat zien is een einde open.  Het deksel dat door middel van vier vlerken het vat afsluit, bevat naast het kontrolevenstertje en het handvat een kraantje, om de lucht te laten ontsnappen.

Bij sommige types is aan het andere einde een ijzeren vergaarbak die tijdens de winter met warm water opgevuld werd.

De klassieke «grote» karns hadden een inhoud van vier tot zes emmers.

De kuiper, aan wie dit werk werd toevertrouwd, gebruikte de mooiste eik om aldus te vermijden dat de duigen zouden breken als zij in het plooipaard kwamen.

Om het plooien enigszins te vergemakkelijken werden de latten eerst een uur gekookt en dan in hete toestand met een haak door 't plooipaard getrokken. Hierin zat hem juist de stielkennis.  Na zo een 35 à 40 duigen van ca. 9 cm breedte geplooid te hebben, werden ze geklemd met zes ijzeren banden: drie langs boven en drie langs onder.

Uiteindelijk werd het geheel opgesmukt, het vat werd veelal in het groen geverfd en de banden in 't zwart.

E. De Smet.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: