Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1978, 11ste jaargang, nr. 3

OORSPRONG EN BETEKENIS VAN OUDE MATEN

Het is biezonder boeiend sommige termen die taai in ons taalgebruik blijven voortleven, even onder de loep te nemen.

In verschillende streken van de Zuidelijke Nederlanden wordt i.v.m. de landmaten nog — zij het dan sporadisch — gesproken over dagwand, bunder, linie en selle lands (o.a. in 't Hageland).  In 't Meetjesland zijn de nog meest gebruikte namen van landmaten roede of roe en gemet(en).

Het is bekend dat lengte- en vlaktematen (oppervlaktematen), maar ook de gewichten en inhoudsmaten, op grond van gewoonten, van streek tot streek verschilden naargelang het "rechtsgebied" waartoe de localiteiten eertijds behoorden.  De Franse staatsman Talleyrand-Périgord, resumeerde eens in twee citaten de meest ergerlijke ondeugden van het Franse regime in de l8de eeuw.

Dit was primo: "l'innombrable variété de nos poids et de nos mesures, et leurs dénominations bizarres" en secundo: "plus grave est la diversité des choses sous l'uniformité des noms".

Het is zeker dat de stelsels maten en gewichten, munten en inhoudsmaten in de Nederlanden en elders niet minder chaotisch waren.  Iedereen die de lagere school achter de rug heeft weet dat het huidige stelsel van maten (en gewichten) decimaal of tiendelig is.

De lengte- en oppervlaktematen zijn gegrondvest op de meter (Gr. metron = maat), in ons land van kracht geworden tijdens de Franse overheersing op grond van de wet van l8de germinal van het jaar III.  Enige jaren later (op l3de brumaire van het jaar IX) verscheen een besluit waaruit bleek dat omrekeningstabellen moesten opgesteld worden van de maten volgens de "costuymen" (coutumes = gewoonten) enerzijds en van het metrieke stelsel anderzijds.  De "Assemblée Constituante" die uit de Nationale Vergadering was ontstaan had reeds op 8 mei 1790 besloten een commissie samen te stellen die als opdracht kreeg een maten- en gewichtenstelsel voor internationaal gebruik, uit te werken.  Dat men behoefte had aan een gestandardise er de maateenheid blijkt duidelijk uit de citaten van Talleyrand.  Het principe van een onveranderlijke standaardmaat werd trouwens 26 eeuwen vóór onze tijdrekening door de Chinezen reeds toegepast.  Zij bekwamen een lengteëenheid, "tehid" genoemd, door 100 sorgho graantjes netjes naast elkaar te plaatsen." De mens is de maat aller dingen" bleek later als een soort axioma voorop gezet; de lengte-eenheid werd langzamerhand in het menselijk lichaam gezocht, vandaar de termen als duim, voet, el, vadem.

Dit blijkt ook uit de Tothboeken van de Egyptenaren waarin de "el" als grondslag van het matenstelsel besproken wordt.

Het tabelletje van oude Brabantse maten die ook elders in de Nederlanden - zij het dan soms gewijzigd - genoteerd werden is biezonder illustratief:

1 voet (Brusselse)  =  11 duimen
1 palm  =  4 duimen
1 zool (sole)  =  1/3 voet
1 stap  =  2 voeten
1 schrede (v.d. landmeter)  =  5 voeten

Nu nog zijn de namen van de Engelse maten, zoals we verder zullen zien, veelal homoniemen van delen van het menselijk lichaam.  Het ligt voor de hand dat ook buiten het lichaam van de mens maateenheden bepaald werden, dit vooral om de onveranderlijkheid te waarborgen.  Een merkwaardig voorbeeld hiervan is de Engelse yard (yd = 0,9144 m).  De exacte bepaling van de yard is: "de lengte van de slinger die, te Londen, bij een temperatuur van 620 Fahrenheit, in het luchtledige de seconde slaat" !!!

Vóór de Revolutie was de meest gebruikte maateenheid in Frankrijk de "toise" (vadem); zij bevatte 6 voeten, en de verdere onderverdeling was: de voet = 12 duimen, de duim = 12 lijnen, de lijn = 12 punten.  Nochtans was de fundamentele eenheid de voet (Pied de Roi), maar aangezien ook de voet niet overal dezelfde lengte had, waren ook de "toisen" van streek tot streek verschillend.  De meest bekende Franse standaard was "la toise du Chätelet".  Dit was een ijzeren staaf die aan de trappen van Chätelet bevestigd was.  In 1747 schreef men van die materiële "toise", die jaren nadien gestolen werd: "toute faussée par le défaut du pilier qui a ployé".

In opdracht van de toenmalige Franse regeerders berekenden twee wiskundigen, Méchain en Delambre, met behulp van de toise de boog op de middaglijn van Parijs tussen Duinkerke en Montjoy (Citadel van Barcelona) (90 40' 45" 2/3).

De resultaten van deze gigantische berekeningen, gecombineerd met de vroegere onderzoeken in dat verband o.a. in Peru en Lapland, kon de afstand tussen de pool en de evenaar gededuceerd worden.  Theoretisch werd de lengte van de meter bepaald als het 10.000.000ste deel van het vierde deel van de wereldomtrek.

Méchain en Delambre werkten van 1792 tot 1799 aan hun opdracht en kregen als eindresultaat 5.130.740 "toises de Paris".  Daaruit volgt dat 1 m = 0,513074 toise of nog: 3 voeten, 0 duimen, 1 lijn, 3 punten, 5.  Bijgevolg is de toise dan decimaal 1,949 m.

Naderhand heeft Méchain op het Balearen-eiland Calebra de berekeningen voortgezet; hij kwam tot het besluit dat de meter 0,19 mm te kort was.  Intussen had echter de werktuigkundige Lenoir een platina staaf van één meter vervaardigd, dit prototype werd op 22 juni 1799 in de archieven van de Franse Republiek gedeponeerd.

Na de internationale conferentie i.v.m. maten en gewichten die in 1889 gehouden werd, besloot men een nieuw exemplaar standaardmeter te vervaardigen. Dit enigszins "langere" prototype is een staaf in x-vorm van geïridieerd platina (legering van platina en iridium) waarop de eerste meter met twee streepjes is aangeduid.

Op grond van later voortgezette berekeningen kwam aan het licht dat de gemiddelde middaglijn langer is dan de oorspronkelijke resultaten aangaven; de gemiddelde omtrek van de aarde via de polen is: 40.003.424 maal de legale meter.

Niettegenstaande de wettige standaard "de meter" en de afleidingen ervan bleef het volk en zelfs officiële instanties, de traditionele terminologie hanteren.  Dit verschijnsel is enigszins in de hand gewerkt aangezien onder het Nederlands bewind van 1815 tot 1830, de decimale maten nog vaak met oude benamingen aangeduid werden.

De el of elle bijvoorbeeld, vooral in de weverijen gebruikt (denk aan de naam ellegoed), varieerde van 69 cm tot 72 cm.  Alhoewel de term "meter" de officiële naam was, werd voor de lengte van de meter nog veel de naam el gebruikt; soms noteerde men wel: "el nieuwe maat", maar dan weer werd de indicatie "nieuwe maat" vergeten, zodat de informatie vaak verwarring stichtte.

Zo was het Gentse bunder b.v. drie gemeten (900 roeden); in Nederlandse woordenboeken, verschenen tussen de twee wereldoorlogen, vinden we nog altijd onder het woord bunder: "Nederl. vlaktemaat = 100 vierk. roeden. Hectare", waaruit blijkt dat met de oude naam roede (vierk.) de decimale are wordt bedoeld.

Sporadisch wordt wel eens de term "vadem" gebruikt; vooral om de diepte van een put of de diepgang van een schip aan te geven.  Volgens sommigen is de lengte van een vadem één meter.

Dit kan misschien op de gesuggereerde verwarring wijzen, maar is o.i. uit de lucht gegrepen.  Vergelijken we maar het Engelse fathom dat 2 yards is of 1,829 m.  Het woord vadem, van het Saksische fathmos betekent: "de uitgebreide armen".  Duidelijker gezegd is de vadem als lengtemaat de afstand tussen de vingertoppen van de zijwa arts gestrekte armen (± 1,88 m).

In de Westvlaamse streken rond Ieper en Poperinge is de vadem (6 voeten) als lengtemaat 1,643 m.  Met vadem wordt soms een oppervlakte bedoeld - dus vierkante vadem (36 voeten) - of decimaal herleid ongeveer 2,699 m2 of centiaren.

De grotere maten waren, zoals hoger aangehaald roede, dagwand, bunder, gemet...

Naargelang de "costuymen" was één roede 16, 17, 18, 19, 20 of 21 voeten.

In de meeste gevallen was een dagwand 100 roeden en een bunder 4 dagwanden.  Aangezien de wiskundige betekenis van die termen zo verschillend was en derhalve verwarring stichtte hebben de Belgische autoriteiten op 18 juni 1836 een wet uitgevaardigd waaruit blijkt dat het aan notarissen verboden wordt de namen van oude landmaten in officiële akten te vermelden.  Daardoor zijn wellicht sommige benamingen stilaan in onbruik geraakt.  Bunder en dagwand zijn in 't Meetjesland weinig gebruikte namen geweest of althans vroeg uit de volksmond verdwenen.  Roede en gemet daarentegen worden niettegenstaande het onderwijs in metend rekenen nog veelvuldig gebruikt.  Vroeger werd zelfs over de Eeklose roede gesproken in tegenstelling b.v. met de Brugse of de Wase roede.  Historisch kunnen we enigszins achterhalen waar die verschillen vandaan komen.  Het rechtsgebied van het Burggraaf van Gent, samen met de Vier Ambachten (Axel, Hulst, Assenede, Boekhoute) en de Keure van Eeklo-Lembeke gebruikten, vrij algemeen, voor de lengteroede een maat, in het decimaal stelsel omgerekend, van 3,8542 m. lengte; de vierkante roede is dan tot op twee decimalen 14,85 m2 of centiaren.  De Oostvlaamse gemeenten Maldegem, Adegem, Middelburg, St.-Laureins, St.-Jan-in-Eremo, St.-Margriete, Watervliet, Waterland-Oudeman en Kaprijke ressorteerden onder het rechtsgebied van het Brugse Vrije, waar zoals in het Burggraafschap Gent 1 roede 14 voeten was, maar decimaal omgerekend toch lichtjes verschilde namelijk 3,8416 m; de vierkante roede is dan tot op twee decimalen afgerond 14,74 m2 of centiaren.

In beide rechtsgebieden was een gemet 300 vierkante roeden.  Voor de gemeenten die onder het Brugse Vrije vielen heeft een gemet een oppervlakte van 4.423,6 m2 of centiaren.  In het Gentse en het Land van Waas werd de term gemet sporadisch gebruikt.  Wel sprak men over "drie gemeten", maar meestal wordt het Gentse bunder vermeld of kortweg "900 weden" (1 ha 33 a 67 ca).  Niet overal echter was het bunder 900 roeden; in het Graafschap Aalst b.v. was het bunder slechts 400 roeden of vier dagwanden.

Een dagwand, reeds door de Romeinen als landmaat gebruikt, besloeg de vrij onnauwkeurige oppervlakte van datgene wat op een dag kon omgeploegd worden.

Romeinse schrijvers noemden dagwand "jugerum" (van jugum = juk; vgl. Fr. "joug"; een juk ossen = une couple de boeufs), doelend op de ossen die onder het juk de ploeg voorttrokken.

In de costuymen van Broeksele (Brussel) vinden we een gelijkaardige vlaktemaat onder de namen: "Morghe lands", "merghen", "morgen".  Hiermede bedoelde men 1/3 bunder of de oppervlakte van de te bewerken grond die op een morgen kon omgeploegd worden.

De landmaat "vierendeel" of "vierdeel lands" werd in Brabant, het Land van Oudenaarde en KasseIrij van Kortrijk veelvuldig gebruikt maar, naargelang de localiteit vaak verschillend qua aantal roeden.  Bovendien werden in het Land van Oudenaarde b.v. twee plaatselijke landmaten gebruikt; men had het over de meest verspreide kasseIrijmaat met de roede van 21 voeten en de stadsmaat met de roede van 20 voeten.  In de Kasselrij van Kortrijk werd gewag gemaakt van grote en kleine roeden; de grote was 20 voeten (5,95 m), de kleine 10 voeten (2,97 m).  Deze laatste werd ook "peerse", "pertse" of ook "pirsie" genoemd.  (vgl. Eng. perch = stokje; rod = roede, staaf; rood = roede of 1/4 acre).

Het is duidelijk dat de materiële maat waarmede de opmetingen uitgevoerd werden een stok of perche was (Perche van het latijn pertica betekent dus lange dunne stok en, zoals in het Meetjesland nog gebruikelijk, een bonestaak) .

In de traditonele rekenkunde hebben we te doen met complexe getallen wanneer in bepaalde getallen de onderdelen of de veelvouden niet tiendelig zijn.  Dit is nog het geval met Engelse maten en gewichten, het muntenstelsel echter is pas sinds enkele jaren decimaal geworden.

In dit opzicht zijn de volgende tabellen illustratief.

Eng.  Perch = square pole (stok, paal) = 25,29 m2
  Rood = 40 sq. poles = 10,1168 a
  Acre = 4 roods = 40,4672 a

Een acre (uitspr. eik) is dus een landmaat van ± 0,4047 ha of 4840 vierkante yards.

Eng. duim
voet
el
vadem
:  inch
:  foot = 12 inches
:  yard = 3 feet
:  fathom = 2 yards
 

Een vadem blijkt ook hier 6 voeten te zijn.

Even illustratief is het volgende overzicht van de oude Vlaamse landmaten; de vermelde termen worden in het dialect van de streek nog sporadisch gebruikt.

AALST

1 roede (20 voeten) = 5,444 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 325,25 v. roeden

 

ANTWERPEN

1 roede (20 voeten) = 5,736 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 304 v. roeden (ruim)

BRUGGE en het gewezen VRIJE

1 roede (14 voeten) = 3,84 m
1 gemet = 300 vierk. roeden
1 bunder = 3 gemeten
1 ha = 678 v. roeden (ruim)

 

BRUSSEL

1 roede (20 voeten) = 5,51.5 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 328,75 v. roeden

DENDERMONDE

1 roede (21 voeten) = 5,787 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 298,5 v. roeden (ruim)

 

GENT en LAND VAN WAAS

1 roede (14 voeten) = 3,854 m
1. gemet = 300 vierk. roeden
1 bunder = 3 gemeten
1 ha = 673 v. roeden (ruim)

HASSELT

1 roede (16 voeten) = 4,6688 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 458,75 v. roeden (ruim)

 

IEPER

1 roede (14 voeten) = 3,834 m
1 linie = 100 vierk. roeden
1 gemet = 3 liniën
1. ha = 680,25 v. roeden (ruim)

KORTRIJK

1 kl. roede (10 voeten) == 2,976 m
1 gr. roede (20 voeten) = 5,952 m
1 honderd lands = 100 kl. (25 gr.)
     vierkante roeden
1 bunder = 16 honderd lands
1 ha = 1129 kl. v. roeden

 

LEUVEN

1 roede (20 voeten) = 5,710 m
1 dagwand = 1.00 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 306,71 v. roeden

 

MECHELEN

1 roede (20 voeten) = 5,56 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 323,5 v. roeden

 

NIJVEL

1 roede (20 voeten) = 5,54 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1. ha = 325,82 v. roeden

OUDENAARDE

1 roede (20 voeten) = 5,702 m
1 dagwand = 100 vierk. roeden
1 bunder = 4 dagwanden
1 ha = 307,6 v. roeden

 

VEURNE

1 roede (14 voeten) = 3,8934 m
1 gemet = 300 vierk. roeden
1 bunder - 3 gemeten
1 ha = 685,29 v. roeden

Een nog zeer gebruikelijke term in 't Meetjesland en Zeeuws- Vlaanderen is de merkwaardige "hemelse grootte".

Daarmee wordt ondubbelzinnig, in oppervlakte-eenheden uitgedrukt, zowel de integrale oppervlakte van een partij lands als van een (landbouw) bedrijf bedoeld.

Gesteld dat een stuk land door twee grachten wordt afgebakend, maar dat de eigendomsgrenzen precies in het midden van beide grachten liggen, dan wordt de afstand tussen bedoelde grenzen "hemelsè breedte" genoemd.

Het ligt voor de hand dat dit begrip ook geldt voor de totale oppervlakte van een bedrijf, b.v. met landerijen er omheen, inclusief de gebouwen, de toegangswegen, de dreven enz. en die bij gevolg niet voor de teelt of ook van die aard in aanmerking komen.

De oorsprong van de terminologie is etymologisch moeilijk te achterhalen.  Nochtans de volgende suggestie: Hemel heeft twee betekenissen 1) schoon, o.a. in ophemelen; 2) uitspansel.  De tweede betekenis was in het Oudsaksisch himil, vandaar in het nieuw Hoogduits Himmel; hemel was in het Gothisch himins en in het Oudnoors hifinn; deze laatste vorm werd in het Angelsaksisch heofon, waaruit de huidige Engelse term heaven voortkomt.

We stellen vast dat de vormen met "m-l" en "f-n" dissimilaties zijn uit de "m-n"-vorm.  (Dissimilatie betekent ongelijkmaking ; voorbeelden: leper in het dialect i.p.v. lepel; tovenaar naast tover; tortel naast het Lat. turtur).

Nu heeft hemel dezelfde wortel als "ham".  Onder de vele betekenissen die ham inhoudt vinden we: bochtkromming in een kustlijn of oeverlijn (vgl. inham).  Semantisch is "ham" ook: buitendijkse aanwas, stuk land, weide en zelfs streek.  Net zoals ham in boterham de betekenis heeft van stuk, brok, homp, kant, zijde, kan de term die ons bezig houdt wijzen op stuk in zijn geheel.

Een exacte verklaring voor de oorsprong van "hemelse breedte" kunnen we niet geven.  Deze woordafleidkundige deducties lijken ons nochtans de meest aanvaardbare.

Edgar Vandegenachte.

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: