Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1983, 16de jaargang, nr. 2

OOSTWINKEL

Ten geleide

"Oostwinkel is als een koeiken; de burgemeester houdt de hoorns, de schepenen den steert vast en de secretaris melkt het, en gaet dan nog den melk elders verkoopen".

Met deze vergelijking die ons treffend de politieke toestand van Oostwinkel in 1855 weergeeft solliciteerde onderwijzer P.J. Philips naar het ambt van secretaris.  Ondanks zijn bloemrijk proza werd Philips niet als secretaris aangesteld.

We beginnen ons overzicht van de geschiedenis van Oostwinkel met deze nogal krasse uitspraak omdat Oostwinkel er door getypeerd wordt.  We hebben hier te doen met een eerder kleine gemeenschap waar iedereen iedereen kent en waar gewone conflicten soms worden opgeschroefd tot bittere vetes.  Ook het tegenovergestelde kwamen we meer dan eens tijdens onze opzoekingen tegen: in geval van nood is de solidariteit onder de inwoners bijzonder intens.

Oostwinkel is en blijft een der weinige dorpen van het Meetjesland waar het nog echt goed is om te leven.  Men kan er nog een rustige wandeling maken zonder belaagd te worden door het moordende verkeer.  Een wandeling van de Veldhoek naar de Sint-Jansstraat, de Pastershuizekens voorbij en zo verder tot aan Ursel-kruis zal iedereen bekoren.  Of volgen we eens de Jabbeke, nu de Wagemakersbeek, tot aan het Schipdonkkanaal.  Weliswaar is er door ruilverkaveling heel wat natuurschoon verloren gegaan, maar toch zal iedereen nog onder de indruk komen van het weidse landschap.  Ook een wandeling vanaf Oostwinkelbrug langs de Rostijneweg tot aan het Leen zal bij vele natuurliefhebbers in de smaak vallen.  Hoe beter men Oostwinkel leert kennen, hoe meer men de eenvoud en de charme ervan zal weten te waarderen.

Oostwinkel anno 1983
Oostwinkel anno 1983...  Een beeld van landelijke rust dat stilaan zeldzaam aan het worden is in onze dorpen.
(Foto Walter Notteboom)

We zijn vandaag echter niet alleen naar Oostwinkel gekomen om er de natuur te hewonderen maar ook om de geschiedenis ervan nader te bekijken.  We hopen met dit bondig overzicht de lezer een idee te geven dat ook een klein dorp "groot" kan zijn in zijn geschiedenis.

Ontstaan

OVER ZIJN NAAM EN ZIJN ONTSTAAN

De naam Oostwinkel komt voor het eerst voor in 1216 onder de vorm van Wostwincle en in 1220 vonden we Wostwinkala.  De naam is afkomstig van het Germaans wostu - 'Woest + winkila - m.  uithoek.  Nog tot op het einde van de 12de eeuw was Oostwinkel een woeste uithoek van het Ambacht Zomergem.  Pas in het midden van de 13de eeuw komt er enig schot in de ontginning van deze verlaten uithoek, want de Doornikse bisschop Walter van Marvis reserveerde in 1244 een som van 10 pond Vlaams van de Zomergemse tienden als inkomen van een nieuw op te richten parochie.  De bevolking van de parochie Zomergem was dermate toegenomen dat een splitsing in afzonderlijke parochies zich opdrong.  Walter van Marvis dacht hierbij aan de oprichting van een parochie in loco qui dicitur Woustwincle en een tweede parochie apud Warscoth.  In 1254 bestaat de parochie Waarschoot reeds.

De parochie Oostwinkel ontstond enkele jaren later, maar alleszins toch nog in de 13e eeuw, want reeds in 1278 is er een pastoor die naar de naam Petrus luistert.  Drie jaar later, in 1281, worden de grenzen tussen Adegem en Oostwinkel nauwkeurig afgebakend naar aanleiding van een twist omtrent het innen van tienden in het gebied tussen de Veldekensstraat en de Jabbeke.

Oostwinkel op de kaart van Pourbus van 1597
Op de kaart van Pourbus (copie 1597) zien we dat Oostwinkel buiten het Brugse Vrije lag.  Naast een getrouwe afbeelding van de kerkjes van Ronsele en Oostwinkel bemerken we het summier voorgestelde stratenplan van deze laatste gemeente: Veldhoek, Dorp en Langestraat.  De witte stipjes in het donkere gedeelte boven Oostwinkel tonen ons de huizen op de wijken Murkel en Veldekens in Adegem, toen reeds druk bewoond.
(Cop. A.C.L.)

Mensen die ten zuiden van de Veldekensstraat woonden hoorden administratief wel bij het Ambacht Maldegem, kerkelijk echter behoorden ze tot de parochie Oostwinkel, of zoals we hier en daar aantroffen woonden ze up het bisdom van ghent.  De grens tussen Adegem en Oostwinkel, tevens de scheiding van het Brugse Vrije met de Oudburg van Gent, volgde de loop van de Jabbeke, kruiste de Lieve en eindigde op een kruis dat geplaatst werd voor de woning van een zekere Wertini van Beke.  Die woning stond op de aloude Zoutweg, later de Bourmoerstraat genoemd.

ENKELE PLAATSNAMEN

Zauzele
Alhoewel deze plaatsnaam eerder laat (1459) in de bronnen verschijnt kan de oorsprong van deze -zele naam toch nog in de tiende eeuw liggen.  Zauzele was het gebied dat begrensd werd door Sint-Jansstraat, Diepenbeekstraat, Kerkstraat en Veldhoek (of Jabbeke).  In 1558 heeft men het over de "zauzeelstraete, sausele" en in 1571 spreekt men over de zauzeelsch thiende.  Een zele zou volgens Dr. M. Gysseling betrekking hebben op een afgelegen herdershut.

Leischoot
Leischoot moet eveneens een zeer oud toponiem zijn alhoewel het pas in 1456 als Leyschoot in de bronnen opduikt (1558: leyschootstraetjen, leyschoot dries).  Een schoot is volgens M.  Gysseling een in moeras uitspringende hoek lager land.  In de streek vinden we nog onder meer Raverschoot, Aveschoot en Alschoot.

Eertveld
Ten noorden van Leischoot strekte zich de wastina de Erdvelt (1244) uit.  Deze plaatsnaam wijst op het heideachtig karakter van Oostwinkel in het begin van de 13e eeuw.  Het Eertveld paalde ten noorden aan de Langestraat.

De Lieve
De Lieve is een gekanaliseerde waterloop die omstreeks 1250 door de Gentenaars werd aangelegd om hun stad eerst met Aardenburg en later met Damme te verbinden.

Naast de Lieve vloeiden er nog twee belangrijke waterlopen te Oostwinkel nl.  de Jabbeke (1244) en de Diepenbeke (1506).

Oostwinkelveld
Het zuidelijk gedeelte van Oostwinkel werd ingenomen door de Wostwincle Wastina (in 1232).  Vanuit het dorpscentrum kon men via de Veltstraete (1527) deze Oostwinkelse heide bereiken.

Maldegemse meers
Tussen de Jabbeke (= Wagemakersbeek), de Lieve (= Schipdonkkanaal) en de Veldekensstraat (op Adegems grondgebied) lag de Groote Mersch dye men heet de Lansschoot Mersch ofte Maldegemsche Mersch (in 1486).  Te midden van dit meersgebied treffen we ook nog de zandige opduiking van de Speurdonc (1339) aan.  Ook de SintVeerlemeers en de Munkenmeers moeten in de buurt gesitueerd worden.  (Met dank aan Luk Stockman)

Aardekensstraat
Het Aerdeken straetien (1551) was een verbindingsweg tussen Leischoot en de Lieve.  Zoals de naam het zelf zegt betrof het een aarden weg.

Oostwinkel met het witte ranke kerktorentje
Het ranke witte torentje van de kerk wijst als een baken over de parochie heen.  De huizen liggen er als het ware rondgenesteld.  Op de voorgrond zien we een gedeelte van de uitgestrekte Maldegemse meersen.
(Foto Walter Notteboom)

Diepenbeek
De Diepenbeekstraat ligt in het zuiden van Oostwinkel op de grens met de naburige gemeenten Zomergem en Ronsele.  Diepenbeek zelf is een verbindingsstraat tussen de Diepenbeekstraat en Leischoot.  Het toponiem duikt reeds op in 1428.  In dat jaar wordt in de Gentse schepenregisters een pachtcontract vermeld van het Goed te Diepenbeke, een belangrijke hoeve die op de noordkant van de Diepenbeekstraat lag.  In 1551 was een gedeelte van de hofstede erg vervallen.

Langestraat
De Langhestraete (1551) loopt van het Dorp naar Oostwinkelbrug.  Het is een der langste straten van Oostwinkel.

Molenstraat
Aan de Molenstraat stond, hoe kan het anders, de molen van Oostwinkel.  Van deze molen is er voor het eerst sprake in 1313.  De molen werd afgebroken in 1886.

Most
De naam van deze wijk ging over op de Moststraat en de Mostmolen.  De Moststraat begint aan de Langestraat en loopt tot aan Leischoot.  Het toponiem komt reeds voor in 1551.  Most is een collectief voor "mos" wat moeras of veen betekent.  Het duidt op een drassige bodem wat wel enigszins met de werkelijkheid overeenstemt.

Sint-Jansstraat
Het Ste Jans straetien (1551) is misschien afgeleid van de naam van de patroonheilige van de parochie, de H. Johannes de Doper.  Een andere mogelijkheid is dat het Brugse Sint-Janshospitaal hier met eigendom lag en de naam van de straat daarvan afgeleid is.  Wij opteren voor de tweede mogelijkheid omdat O.L.-Vrouw de oorspronkelijke patrones van de parochie was.

Vijverstraatje
Het witte vyver straetien (1689) verbindt de Langestraat met Leischoot.

Rostijnestraat
De stynstraete, strynckstraete of de woustynstraete (1689) begint over Oostwinkelbrug en loopt dood in de bossen van het Leen.

Hoeve, Langestraat 1
Een der mooiste en best bewaarde hoeven van de gemeente vinden we bij het begin van de Langestraat (nr. 1).  Hier is de tijd blijven stilstaan.  Meer dan twee eeuwen woonden er leden van de invloedrijke familie Ryckaert op deze hoeve.
(Foto Walter Notteboom)

Andere oude plaatsnamen zijn nog:
Leikant, Vaartkant, Steenstraat, Hofstraat (nu Kasteeldreef), Kerkplaats, Smissewijk, Staaktevijverwijk, Lochtinkwijk, de Grote Koe, Gentstraat, Broeken, Kasteelwijk, Jans akker, Maldegemse meers, Paardestraatje enz.

De Heerlijkheid van Oostwinkel

Oostwinkel behoorde van oudsher tot het Ambacht Zomergem dat in 1562 van naam veranderde en het Ambacht Waarschoot werd genoemd.  Het Ambacht Zomergem strekte zich uit over de parochies Zomergem, Waarschoot, Ronsele en Oostwinkel.  Het ontstaan van dit Ambacht is moeilijk te achterhalen, maar de oorspronkelijke naam Ambacht Zomergem - wijst er op dat de oorspronkelijke kern van het Ambacht in Zomergem dient gezocht te worden.

Het Leenhof van Oostwinkel dat verheven werd van de Oudburg van Gent, wordt in de feodale registers en denombrementen uit de XVIde eeuw als volgt omschreven:
"Tleenhof van Oostwincle, een leen gheheeten theerscip van Westwincle, groot in den eersten thof metten lande 45 ghemete ende 6 bunderen meersch, hier toe behoorende eenen bailliu zeven scepenen, tol, vont, boeten van 3 ponden ende daer onder, bastaerde goet ende verbuert, 13 hoet evenen, in penninc renten 62 p 7 sc.  ende 13 marshevenen, danof zy heeft de relieven, camerlynckghelden ende Xe penninc alsse ghevallen, den selven leene noch toebehoorende eene plaetse van velde groot 33 bunderen tusschen Urssele ende Westwincle gheleghen".

VERKOOP

In de Gazette van Gend van 28 februari 1788 wordt de verkoop van de Heerlijkheid van Oostwinkel en de Baronnie van Leischoot aangekondigd:

Het dorp van Oostwinkel rond de dertiger jaren
Het dorp van Oostwinkel rond de dertiger jaren (richting Adegem).
(Verz.  Alfons Ryserhove)

"Dat men uyt'er hand te koop en presenteert de Heerlykheid der prochie van Oostwinkel, hebbende de zelve Heerlykheid in Foncier een remarquabel schoon bewald Kasteel, met groote Hovingen, Dreven, Wandelingen en voorderen Terrain, alsmede een notabel PachtHof, groot salvo justo 45 gemeten ofte daer ontrent land, item 6 Bunderen Meirsch
"behoorende tot het voorzeyd Heerschap eenen Bailliu, zeven Schepenen, Greffier en Praeter om Recht en Wet te doen na gewoonte en usantie.
"het recht van Kerk-Geboden, stellen van Disch-, Kerk- en Gildemeesters in en tot de voorzeyde Kerke der gemelde Prochie, mitsgaders de rekeningen van diere te hooren ende sluyten
"item in heerlyke en ervelyke Renten 13 hoeden Haver ofte Evene, Gendsche maete, en 62 pond 7 schellingen Parisis Penning-rente, gaende uyt diversche gronden van erve onder de voorzeyde Heerlykheid gelegen
"en sorteerende voorders 18 Achterleenen ofte Manschappen waer van de Heer heeft de relieven, Kamerling-gelden ende Thiende penningen uytwijzens de Leen-, Ceyns- ende Renteboeken daer van zijnde item 33 bunder en Land, Velt ofte Heye, wezende Foncier der voorzeyde Heerlykheid, nu ten meerderen deele Bosch, liggende tusschen het voorzeyd Oostwinkel en Ursel, waer op een tweede woonste is gebouwd waer van de eene, zynde den west-cant van diere, met eenigen grond verpacht word, en het ander deel, zynde den oostcant, word insgelyks verpacht met eenigen grond
"item eenen Koorn- Wind- en Ros-Molen, met den grond op- en af ende daer mede gaende
"item het recht van remarquable Jagerye en Vogelrye, zoo en gelyk den Propriëtaris en zijne Voorzaten der zelve Heerlykheid van oude tyden daervan in possessie zyn, dit alles met alle de voordere Baeten, Emolumenten, Vermogen ende Preëmentien daer toe behoorende zynde het voorzeyd Leen gehouden van het Kasteel ende Ouderburg van Gend".

Dorpzicht in de richting van Zomergem
Dorpzicht in de richting van Zomergem.  Op de voorgrond links de herberg "In de Klok" bij August Neyt.
(Verz.  Alfons Ryserhove)

Onmiddellijk na de verkoop van de Heerlijkheid van Oostwinkel wordt die van de Baronnie van Leischoot aangekondigd:

"Item een ander Leen en Heerschap, wezende de Baronye van Leyschoot, gelegen en haer extendeerende binnen de voorzeyde Prochie van Oostwynkel en Zomergem, Kasselrye vanden gemelden Ouderburg van Gend
"met eene remarquable behuysde Hofstede, Schuere, Boomen en andere catheylen daer op staende en medegaende, benevens de Landen ofte Gronden van Erve groot salvo justo 8 bunder en komende met het nord- en zuydeynde op de straeten
"item nog twee partyen land, de ene genaemd het Smisse-bilksken en het ander het Haegstuk
"item eenen Driesch
"item diversche Ceyns- en Hoenderrenten tot last van verscheyde landen
"item eene plaetse Veld, genaemd het Galge-veld
"ook heeft de Heer het recht te stellen en eenen Bailliu zeven Schepenen Greffier en Officier om Recht en Wet te doen na gewoonte heeft ook hooge, midden en leege Justitie, alle Boeten, verbeurt en van Goed midsgaders te stellene een Pellereyn op den driesch met het recht van beste Hoofden op de voorzeyde Baronye van Leyschoot, zoo binnen Oostwynkel als Zomergem vallende
"item ook de Jagerye en Vogelrye met alle de voordere Preëmentien, Vermogen, Baeten en de Emolumenten als van oude tyden is geplogen en gebruykt geweest zynde het voorzeyd Leen ende Baronye van Leyschoot eene Vrye Heerlykheyd van niemand gehouden
"Degene die genegen zyn om de gemelde Heerlykheden te Koopen en van de voordere Conditien willen onderricht zijn konnen hun addresseren aen den Notaris en Procureur van den Raed in Vlaenderen Impens, woonende in de Onderstraete binnen deze stad daertoe volkomendlyk gemachtigd".

VERVAL

Waarschijnlijk zijn er voor beide heerlijkheden wel kopers opgedaagd, want de inkomsten ervan waren niet gering ! De Fransen schaften echter alle heerlijkheden af, zodat de koper nauwelijks vier jaar heeft kunnen genieten van de inkomsten van beide heerlijkheden.

Het remarquabel schoon bewald Kasteel verviel van langsom meer en meer.  Midden vorige eeuw werd het dan ook volledig afgebroken.  De materialen ervan werden her en der in de streek "herbruikt": o.a.  werd er het voormalige koetshuis van het Goed ter Heiden in Adegem mee opgetrokken.  Volgens oudere Oostwinkelnaren moet het alleszins een mooi gebouw zijn geweest.  Zo zouden de kribben in de paardestallen gemaakt zijn uit marmer !  Vandaag de dag blijft er van het kasteel niets meer te zien.  Enkel de naam "Kasteeldreef" herinnert er ons nog aan dat hier eens een kasteel heeft gestaan.

Niet alleen het kasteel, maar ook de molen van Oostwinkel is verdwenen.  Die molen stond enkele tientallen meter in de Molenstraat, op de zuidkant van de weg (Seetie D, n° 400 art.  116).  Het was een houten staakmolen die omstreeks 1885 afgebroken werd.  De afgebroken molen had een respectabele ouderdom.

In 1313 oorkonden de zeven schepenen van Oostwinkel dat voor hen verschenen is Gillis van Veldekine die een rente verkoopt aan Gillis van Eke.  Slechts één van de zeven uithangende zegels is bewaard, namelijk dat van Lamsin de Molnare.  Als embleem voor zijn zegel gebruikte deze Lamsin het werktuig van zijn beroep: een staakmolen.  Het zegel is dus een onrechtstreekse aanduiding voor het bestaan van een windmolen in Oostwinkel in 1313.  De oorkonde - met zegel - is vermoedelijk het oudste bestaande document in het Nederlands taalgebied met de afbeelding van een staakmolen.

Van de Baronnie van Leischoot rest er ook niets meer.  Het leenhof stond een beetje ten zuiden van de weg naar Ronsele.  De heerlijkheid strekte zich aan beide zijden van de weg uit, vanaf de Diepenbeekstraat tot aan Leischootdries, waar het Aardeken begint.  Het Aardeken was een wegel die van Leischoot naar de Lieve liep waar een losplaats van de heerlijkheid lag.

Naast de Heerlijkheid van Oostwinkel en de Baronnie van Leischoot bevonden zich op Oostwinkel nog de heerlijkheid van Mosbeke, die zich uitstrekte aan de oostkant van de Moststraat tot aan het Wittevijverstraatje, ten noorden tot aan de Langestraat en ten zuiden tot even boven de Leischootstraat.  Nog andere heerlijkheden waren die van Sint-Donaas uit Brugge, de Platte Gaverij, heerlijkheid die zich uitstrekte in Oostwinkel, Zomergem en Merendree, de heerlijkheid van Pilkem waarvan de zetel te Zomergem gevestigd was, en de heerlijkheid Zauzele, gelegen op Oostwinkel, maar waarover verdere gegevens ontbreken.

DE FAMILIE WALCKIERS

In 1740 kocht Cornelis Walckiers de heerlijkheid van Oostwinkel van Pieter Dumoncheaux die ze op zijn beurt in 1713 had gekocht van een lid van het geslacht Van Maldeghem.

Het verweerde blazoen van de familie Walckiers
Het verweerde blazoen van de familie Walckiers, aangebracht tegen de gevel van het koor, herinnert er ons aan dat deze familie tientallen jaren houder was van de Heerlijkheid van Oostwinkel.
(Foto Walter Notteboom)

Jan Walckiers volgde zijn vader op als leenhouder.  Jan huwde drie keer: zijn eerste huwelijk verbond hem met Isabelle Schut die verwant was met de Antwerpse etser en schilder Cornelus Schut, zijn tweede huwelijk verbond hem met Marie-Louise Van Hecke, en hij huwde dan tenslotte voor een derde keer met Isabelle Anthoine.  Zijn drie huwelijken brachten hem veel dochters, maar slechts één zoon, Judocus Walckiers.

Jan Walckiers woonde te Gent, op de hoek van de Kouter en de Korte Meire.  Het huis was zeer rijk bemeubeld, want Jan was een welgesteld man.  In zijn woning bevonden zich tientallen schilderijen — er was zelfs een speciale schilderijenkamer !  —, talrijke juwelen en kostbaar zilverwerk voor een waarde van enkele duizenden pond, kostbare meubels en ander duur huisraad, o.a. messen met heften van porselein.  Naast al deze kostbaarheden bezat Jan dan nog heel wat eigendommen, niet alleen op Oostwinkel, maar ook op tal van andere gemeenten !  Bijna de helft van Oostwinkel was zijn eigendom: het kasteel met de mote, vijvers, land en weiden had een oppervlakte van 45 gemet.  Op het Oostwinkelveld bezat hij 18 gemet meers en 33 bunder heide waar Jan bos en akkerland van gemaakt had.  De molen met het molenhuis waren ook van hem, alsook de herberg St.-Huibrecht aan de ingang van de kerkhof (het latere gemeentehuis).  In 1734 had Jan een mooie en voorname hoeve gekocht van Pieter Ramont.  Die hoeve lag iets ten zuiden van het kerkhof.  Het was een hof met mote en duiventil, woonhuis en andere gebouwen.  In de 17e eeuw baatte de familie De Smet hier een brouwerij uit.  Al het land dat bij deze hoeve hoorde werd ook aan Jan Walckiers verkocht, alsmede de toegangsweg die van de Dorpsstraat naar de hoeve liep.  Aan de Langestraat bezat Jan ook een paar hoeven en talrijke partijen land.  Het huis op de hoek van de Veldhoek en de straat naar de Kruipuit was ook zijn eigendoom.  Naast nog een hoeve op de zuidwestkant van de Kerkstraat had Jan nog twee nieuwe huizen laten bouwen op het Leischoothulleken.  Aan de Leischootstraat bezat hij trouwens heel wat partijen land, alsook te zuiden van de Langestraat, in Zauzele en nog op andere wijken van Oostwinkel.  Het zou ons werkelijk te ver voeren al deze eigendommen hier in het lang en het breed uit de doeken te doen !

Jan Walckiers was een grootgrondbezitter die veel in de pap te brokkelen had op Oostwinkel.  Hij liet belangrijke "openbare" werken uitvoeren.  Zo had zijn zoon Judocus toezicht op de herstellings- en uitbreidingswerken aan het kasteel waar een ganse vleugel werd bijgebouwd.  In 1750 liet Jan een nieuw koor bouwen aan de kerk van Oostwinkel.  Hij had voor het onderhoud van zijn kasteel heel wat personeelsleden in dienst: een koetsier (Marten van Vlaanderen), een linnenmeid, een kamermeid, een dienstmeid en twee knechten.  Het personeel werd goed betaald: naast heel wat voordelen in natura kregen zij jaarlijks acht à tien pond.  Louis Godfroid was er opzichter: hij kreeg 25 pond per jaar.

Toen Jan in 1758 overleed liet hij dus zijn zoon Judocus achter als erfgenaam.  Judocus overleed echter kort na zijn vader, in het kasteel van Oostwinkel.  Hij werd evenals zijn vader, begraven in de St.-Michielskerk te Gent.

Onder de achtergelaten dochters van Jan ontstond een bittere strijd om de erfenis.  Een dochter van Jan, Marie Elisabeth Constance Walckiers, gehuwd met Albert Jozef Wouters won het pleit: zij volgde haar vader op.  Het echtpaar kreeg geen kinderen !  Opnieuw werd er gebakkeleid om de erfenis !  Deze keer was het Johanna Maria Walckiers, zuster van Jan, die ze in de wacht wist te slepen.  Johanna Maria was tweemaal gehuwd: een eerste keer met Fernand de Cabilliau de Friponseau, een tweede maal met Jean Carrel.  Van 1776 tot 1779 verbleef de bejaarde dame ('s zomers) nog op het kasteel van Oostwinkel.  Veel van de luister was echter verloren gegaan.  De processen om de erfenis hadden fortuinen gekost.  In Brussel kon Johanna Maria zelfs de huur van haar huis niet meer betalen !  Een curator beheerde dan verder haar goederen.  Totaal verarmd overleed zij in Brussel op 29 april 1783.  Haar erfgenamen dienden de heerlijkheid te verkopen, want de schulden beliepen tienduizenden pond.

Dionysius Papeleu kocht de heerlijkheid; het was tevens de laatste feodale heer van Oostwinkel.

VERKOOP INBOEDEL KASTEEL

De inboedel van het kasteel werd tweemaal verkocht.  Dat gebeurde op 6 september 1773 na het overlijden van Marie Walckiers, gehuwd met Albert Wouters, en een tweede maal op 10 november 1780.  Deze laatste venditie werd gehouden om de schulden te delgen die Johanna Maria Walckiers gemaakt had om de erfenis in haar bezit te krijgen.  Het waren voorname vendities: van heinde en verre kwamen kopers en nieuwsgierigen opdagen.  De eerste venditie duurde niet minder dan drie dagen.  De tweede, die van 10 november dus, bracht 1239 gld.  en 6 stuivers cour. op.  Het zou ons te ver leiden de 194 kopen hier op te sommen.  Beperken we ons tot het voornaamste !  De ydele boutaillen alsmede de manteflesschen waren niet te tellen.  Even talrijk waren de ruymers, bierglaesen en carafen.  De pastoor van Oostwinkel kocht een casserale, kanne, theketel, rooster en blaespype, twee brantels, ketel, spit, marmite schyve en vispaene, kandelaers, ketel en een lange schuppe.  Een caffemeulen, gieter en enen setelstoel werden door de onderpastoor gekocht.  Veel geld bracht ook het beddegoed op:

Koetshuis, tot bergplaats verbouwd
Het enige wat nog van het statige kasteel rest is dit tot bergplaats verbouwde koetshuis.
(Foto Walter Notteboom)

oorcussen, pluymen peluw, pluymen bedde, stroozak, 7 matrassen (waarvan enkele door koster De Boudere werden gekocht) en allerlei lynwaet.  De geleverde tailloren, schaelkens, een triene van porcelyn, waterkannen, spoelkommen, melkpottjens en coulbacken vonden eveneens gretige aftrek.  De cuypen, kisten, tonnen, potten, teirlynckbert, puffet en een vertrecxken vonden ook een koper.  Voor de talrijke schilderyen (17), schilderytjes en caerten werd eigenaardig genoeg niet zoveel geld neergeteld.  Een slyncke fusique, cooperen blaecker, deegen, coetsken, tombeau met behangsel, 'tbehangsel van den caemer, een staende horlogie, billiaert, tinnen schootels en meer andere rommelyn gingen een goede prijs.  Tenslotte werden dan nog de gordijnen, bierstellynghe, een ydel commode, een passe met muysevalle, een vleesblock, schuppen, heemers, tuynschaere, capmessen, spieghels, een confoir en heel wat netten geveild.

Dat de leenhouders ook maar mensen waren konden we opmaken uit verschillende brieven die door baljuw De Grave bewaard werden.

Op 18 november 1777 komt er een brief toe waarin ervoor gewaarschuwd wordt dat joncker de Cabilliau op het casteel van oostwynckel zyne retraite zoude zoecken te nemen.  De Jonker had namelijk moeten verzaken aan een seer ongelyck houwelijck en heeft den stadt verlaeten.  De domestiquen moghen hem niet toelaeten noch acces noch verblijf te nemen in het kasteel, mits de caemers gesloten ende de sleutels bij hen houdende.

Rond 1785 ontvangt de baljuw menige brief over het uitblijven van de heerlijke renten die de douariére de Noiseville née de Cabilliau d'Oostwynckel meer dan vandoen had: De heerlijke renten binnen myne heerlyckheyt van oostwinckel veel ten achter zynde, soo versoucke ul by desen van betaelinghe der selve te doen doen en deselve te willen ontvangen, dienende desen tot volle procurate, waer op my betrouwende blyve zeer oprechtelyk..."

Andere brieven handelden over de zware kosten die het onderhoud van het kasteel met zich bracht: mits het niet sal bewoont zyn te wintertyde zal het voldoende zijn dat Jacobus Foquaert het zal gaede slaen.  Foquaert mag in ruil voor het gaede slaen de vruchten profyteren.  Het is niet meer nodig dat de zuster van Foquaert tijdens de winter nog op het kasteel verblijft ten coste van de Vrouwe van oostwynckel daer zy er geenen dienst kan doen in den winter...  Ook worden de nieuwe plantagien uytgesteld daer er gheen te vinden zyn in de bosschen, den cost uytstellen.  Foquaert moet een clyn idée van syne rekeninghe op een blatje post-pampier schrijven, want stucken in eenen brief zyn seer costelyck...

Er is dus duidelijk gebrek aan geld: op alles wordt gesnoeid, niet het minst op het personeel dat met weemoed zal teruggedacht hebben aan de goede oude tijd van Jan Walckiers.

Ook maken we uit sommige brieven op dat de leenhouders dikwijls hun rechten lieten gelden.  Zo werd naar mevrouwe een lijste van de nieuwe schepenen toegestuurd: schepen Van Deynse werd er op verzoek van mevrouwe uytgelaeten.  Op 10 december 1784 krijgen de Borgemeester en Schepenen volgend schrijven onder de neus: laet Ue by dezen weten als dat ick den clerck signant "Meyer" hebbe doen bedancken van zyne bedieninghe der griffie van oostwinckele Ue sigh soo zult reguleren dat de voornoemde bedanckinghe haer effect sorteert...

RECHTSBEVOEGDHEID

We sluiten dit hoofdstuk over de heerlijkheid af met enkele aantekeningen omtrent de rechtsbevoegdheid van de leenhouders op Oostwinkel.

Het is inderdaad zo dat het tussen de baljuw en de leenmannen van de Oudburg enerzijds en de houders van de heerlijkheid van Oostwinkel anderzijds gedurende een paar eeuwen niet zo goed boterde.  Er werd getwist over de rechten van de Baljuw van het Ambacht die zich verregaande vrijheden toeëigende, over het toezicht op de interne organisatie van de parochie, over de publicatie van openbare akten, over de controle over de belastingen, over het recht van straatschouwingen en over nog tal van andere heerlijke rechten.  Men moet al een beslagen jurist zijn om uit deze ingewikkelde materie wijs te raken.

Zo meende Jozef Casenbroodt, heer van Oostwinkel in 1642 dat zijn baljuw, weliswaar samen met de schepenen van het Ambacht, het recht had om tussenbeide te komen in de verdeling en het innen van de belastingen op Oostwinkel.

In 1643 had baljuw De Smet het zich geoorloofd in het openbaar enkele verkopingen aan te kondigen en enige administratieve mededelingen te doen by het uytgaen van den volcke up den kercktichele.  De Amman van het Ambacht voelde zich door deze handelwijze op de tenen getrapt wat een ingewikkeld proces voor gevolg had.  Jozef Casenbroodt stond nogal op zijn rechten, want hij spande niet minder dan vier langdurige en dure processen in om zijn rechten veilig te stellen.  De redenen waarop de heren van de Oudburg zich baseerden waren soms ridikuul: zo was Casenbroodt volgens hen geen heer van Oostwyncle maar van westwyncle, ligghende op Oostwyncle !  Dat beide namen een variatie op hetzelfde thema waren ontging de heren blijkbaar.

Sommige rechten waarop de heren leenhouders stonden komen ons de dag van vandaag heel vreemd voor en lijken banaal.  Zo meende de graaf van Maldegem, baron van Leischoot, dat hij alleen het recht had om gedurende de processie de roede van justitie te mogen dragen.  Het Collegie van de Oudburg stelde hem in 1643 in het gelijk.

Om een ereplaats in de kerk was er ook heel wat te doen.  De schepenen van het Ambacht meenden dat zij, net als de schepenen van de gemeente, het privilegie konden laten gelden op een plaats in de zitbank van het koor.  Zo had Jan Blondeel, wel schepen van het Ambacht, maar niet van de gemeente, het eens gewaagd op de bank in het koor te gaan zitten.  Hij werd verplicht een plaats in de kerk te gaan innemen bij het gewone volk.  Zijn medeburgers zullen ongetwijfeld fnuikend hebben toegezien toen Blondeel zich beschaamd een plaats zocht achteraan in de kerk, onder begeleiding van Maarten Wille, officier die in opdracht van baljuw Jan De Smet handelde.  Na een identiek voorval in Ronsele bekloeg het schepencollege van het Ambacht Waarschoot zich bij de Oudburg te Gent.  Op het proces getuigde Jan Sierens, eerst schepen en later burgemeester van Oostwinkel, dat het reeds sedert mensenheugnis zo was dat alleen de burgemeester, baljuw en schepenen van de gemeente in het koor plaatsnamen.  De schepenen van Waarschoot wonende binnen Oostwinkel zaten gewoonlijk op een bank in de kerk naast andere notabelen.  Andere inwoners getuigden in die zin.  Waarschoot werd wel veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding, maar Oostwinkel en Ronsele mochten voortaan niet meer verhinderen dat ook de schepenen van het Ambacht in het koor een plaats zouden innemen.  Een Salomonsoordeel, dat wel.

Een ander ingewikkeld proces ging hem over het feit wie nu eigenlijk wettelijke daden mocht stellen: het Ambacht of de Heerlijkheid.  Er was onenigheid tussen de schepenen ontstaan naar aanleiding van het opstellen van de Staat van Goed van Petronelle de Bourdere.  Die van Waarschoot meenden dat zij dat recht hadden.  Jan Walckiers dacht er echter anders over !  Toen Ambrosius van Maldeghem in het begin van de 17e eeuw eigenaar was van Oostwinkel liet hij zijn baljuw alle wettelijke daden stellen: doden schouwen, boeten innen, opstellen van processen-verbaal enz.  Jan Walckiers wees er ook op dat de belastingrol altijd door Oostwinkel werd opgesteld: wie belastingen betaalt mag ook recht laten gelden !  Oostwinkel kwam als winnaar uit de strijd en voortaan moesten de schepenen van Waarschoot uit Oostwinkel blijven.  In 1788 moest Dionysius Papeleu toch weer een proces inspannen omdat zijn baljuw op het lyf wort ghevallen door die van Waerschoot omdat zij meenden dat het recht van deurjacht hen toebehoorde.

De Parochie

Zoals we reeds eerder schreven werd de parochie Oostwinkel gesticht omstreeks het midden van de 13e eeuw door de Doornikse bisschop Walter van Marvis.  Het oprichten van een nieuwe parochie veronderstelt dat er een parochieherder wordt aangeduid en dat er inkomsten worden voorzien om de pastoor, de armen en de kerk te onderhouden.

PATRONUS

Het presentatierecht voor de parochie Oostwinkel berustte bij het O.L.-Vrouwkapittel van Doornik, dat dus de patronus was van de parochie.  Dit komt omdat Oostwinkel en Waarschoot afgesplitst werden uit de moederparochie Zomergem, parochie waarvan het altaria in 1171 door de bisschop aan het kapittel van Doornik werd geschonken.  De oprichting van het bisdom Gent in 1565 veranderde niets aan dit voorrecht van het kapittel: het presentatierecht bleef een privilegie dat zij tot op het einde van het Ancien Régime behielden.

Het fraai gerestaureerde kerkje van Oostwinkel
Het fraai gerestaureerde kerkje werd in het begin van de zestiger jaren van een gewisse afbraak gered mede dank zij het optreden van de Provinciale Dienst voor Monumentenzorg.
(Foto Walter Notteboom)

De benoeming en aanstelling van een pastoor verliepen als volgt (we laten pastoor Franciscus de Rantere aan het woord):
"Den 29 Meij is ghehouden het concours voor de Pastorije van Oostwinckele van de welcke de Capittel heren van Doornijk de presentatie hebben.
"Den eersten junni hebbe ick onderschreven, bekommen de Collatie van de pastorije van sijn hoogweerdigheyd Maximillianus Anthonius van der Noot, bisschop van Ghendt
"Den sesden junni ben ick ghestelt in possessie door den Erweirden Heer Egidius Caese, Landtdecken van het district Everghem, Pastor tot Slijdinghe
"Den 19den Junii hebbe ick mijn intrede gedaan binnen de Parochie van Oostwinckel".

TIENDEN

De voornaamste inkomsten van een parochie bestonden hoofdzakelijk uit hetgeen de tienden opbrachten.  Een van de grootste bekommernissen van bisschop Walter van Marvis was de zorg voor een goed inkomen voor de pastoor.  Toen de tienden in het Ambacht Zomergem verdeeld werden zorgde de bisschop er dan ook voor dat de toekomstige pastoors van Waarschoot en Oostwinkel 10 pond uit die tienden zouden ontvangen.

De tiendengrenzen tussen Oostwinkel en Adegem waren in 1281 niet al te nauwkeurig afgebakend.  Geregeld kwam het tot onenigheid tussen het kapittel van Harelbeke (tiendeheffer in Adegem) en het kapittel van Doornik (tiendeheffer in Oostwinkel).  Op 27 en 28 maart van hetzelfde jaar werd het geschil bijgelegd en werden de tiendegrenzen nauwkeurig afgebakend.

De grens liep vanaf het kruis bij het Honeveld (nu het Wambuis, op het einde van de Vulderstraat) in rechte lijn naar het kruis dat geplaatst werd bij de Jabbeke.  De scheiding volgde dan de loop van de Jabbeke, kruiste de Lieve en kwam tenslotte op het kruis dat geplaatst werd op de aloude Zoutweg, op de grens met Eeklo.

De tienden in het nieuw afgepaalde gebied werden in vijf roten verdeeld drie ervan gingen naar Zomergem, de overige twee kwamen Adegem toe.

Naast het vastleggen van de grenzen wordt in dezelfde oorkonde nog overeengekomen dat de inwoners van Veldekens onder de bevoegdheid van de parochie Oostwinkel vallen.  Het tiendegebied dat afgebakend werd lag niet op de jurisdictie van de Oudburg, maar hoorde bij het Brugse Vrije: vandaar de moeilijkheden.  Parochiaal hoorden de inwoners van Veldekens wel tot Oostwinkel, juridisch hoorden ze bij het Ambacht Maldegem.  In latere eeuwen zorgde deze toestand nog dikwijls voor moeilijkheden, want menig Oostwinkels pastoor wou zijn parochie ten koste van Adegem uitbreiden.

In 1557 verzochten diversche houders vander prochie van Zomerghem, Waerschoot ende Oostwincle als pachters van de tienden het O.L.- Vrouwkapittel om een precieze afbakening van de tienden in de

drie parochies: alle de sircken, velden, cauters, bilcken, landen ende ghewesten daer de tienden vanden voors.  capittele cours ende loop ghehadt hebben van houden tyden, te verghaderen en ten hoope te bringhen elc in syn ackers ende contreyen.

De tienthoop van de parochie Oostwinkel werd in zes roten verdeeld: vijf ervan kwamen toe aan het kapittel van Doornik, de zesde rote behoort de prochiepape van zomerghem.

De tienden begonnen op de westkant van de parochie daer den wech van hursele ten velde ofte heye aencomt daerment heet den steenen pael, het vroegere kruis aan de Jabbeke.  Men volgde de loop van de Jabbeke tot over de straete die van oostwynckel keercke naer murckele liep.  De Jabbeke liep onder de straat door, kruiste Jas ofte Jans ackere tot aan neckers pit.  De beek stroomde verder oostwaarts tot op het peerdestraetien.  Eens voorbij het Paardestraatje kwam men, de hooghe driesschen voorbij, tot op de strepe.  Eventjes voorbij de bauwens doncken loopt de tiendengrens in de richting van Veldekensbrug.

Over de Gentse Lieve begint de tiendegrens op de hoek van den zeghers bilck.  De grens loopt dan verder in oostelijke richting door verschillende bilxkens tot men op de doornbossche komt.  Nog verder komt men dan aan de boghaerde moerstraete.  Vanaf deze straat gaat het in zuidelijke richting tot men op de stynstraete komt.  Men volgde de strynckstraete (?) westwaarts tot aan de brug over de Lieve.  De westkant van de Lieve volgend kwam men aan staeckte vyver brugghe waar de stede ende taverne van Jacob Hendricx en Maria Trycke stond, maar ten daeten van desen bezeten ende ghepossesseert door ene Pieter Minnaert.

Vanaf deze herberg loopt de grens in westelijke richting tot men op de steeghe gracht kwam die gevolgd werd tot aan het Leyschoot straetken.  Joos van Hale lag hier met een tiende.  Vanaf het Leischootstraatje trekken wij nu verder achter de diepenbeekstraete tot by den dullen boom, totter heye tot up tcuupersvelt.  Van dit Kuipersveld gaan we noesch over de vuyle spuere naer den Stenen paal waar de grens begon.

Het rechtse bescheet vanaf de Stenen paal, de westkant van de huidige Sint-Jansstraat, werd als volgt afgepaald: van dmerck vanden steenen pael drieboomet up een wallekin zegher clais wallekin.

De tiende van Joos van Hale waarover wij het net hadden had een oppervlakte van ongeveer 5 gemet en haalde van drie thiende schooven er twee op, de derde schoof bleef aan het kapittel.

Op de westkant van de tiende van het kapittel naest der heye lag de heerlichede van sauzeele, groot 32 bunder.  Die haalde voor zover de heerlijkheid zich uitstrekte, eveneens twee van de drie tienden schoven op.

De tiende schoven werden geheven op: tarwe, rogge, haver, bonen, gheerste, eereweten, vitsen ofte cruut, boekweit, vlas en alle andere vruchten die te lande commen.

Onderpastorij op de hoek van het Dorp en de Veldhoek
Onderpastorij op de hoek van het Dorp en de Veldhoek.
(Foto Heemschut)

Op 10 november 1691 maakte baljuw Pieter De Smet een inventaris op van de tienden en hun heffers.  De tienden werden ghecalculeert ende gherepartiseert in Ade van het 22ste ghemet hemels breede de bosschen ghereserveert:
1.   Het O.L.- Vrouwkapittel, samen met de pastoor mochten tienden heffen op 1053 gemet 222 roeden.  In ommestelling blijft daarvan 47 gemet 260 roeden over waarvan het kapittel recht heeft op vijf delen van zes of 39 gemet 267 roeden.
2. De novael tiende was voor de pastoor: 27 gemet 238 roeden, over het 22ste gemet: 378 roeden.
3. Louis de Pourcq uit Brugge, had samen met de pastoor en het kapittel nog eens 90 gemet 229 roeden, over het 22ste gemet: 3 gemet 283 roeden.  Van deze tiende inde De pourcq 2/3, de pastoor 1/6 van 1/3 of 1/18 en het kapittel had recht op 5/18.
4. De tiende op het zuidoosteinde van het Brakeleiken hoorde voor 3/4 toe aan het kapittel, het overige vierde kwam toe aan de pastoor van Zomergem.  Deze tiende had een oppervlakte van 118 gemet 144 roeden, over het 22ste gemet: 5 gemet 16 roeden.
5. Martinus Snouckaert, heere der prochie van Somerghem, bezat samen met het kapittel en de pastoor een tiende in erfve, groot 18 gemet 144 roeden, over het 22ste gemet: 252 roeden.
6. Tenslotte was er nog de tiende van een zekere Heyle uit Gent waarin zowel het kapittel als de Oostwinkelse pastoor recht hadden op een klein deel.

Zoals overal elders gebruikelijk was werden ook de tienden van Oostwinkel verpacht.  In 1571 had het kapittel van Doornik als voorpachter meester Gillis Bauters, in 1577 was dat Jooris van Redesone.  De vijf roten tiende van het kapittel werden aan 9 verschillende pachters verhuurd.  Zij waren daarbij nog belanghebbende partij in de verpachting van de brouckthiende en de sauseelthiende ligghende up de heerlichede van sauseele.

In 1571 brachten de tienden 47-9-9 pond gr op, in 1577 was dit bedrag opgelopen tot 58-9-4 pond gr.

PASTORALE INKOMSTEN

Van de tiendeheffers ontving de pastoor in 1682 de som van 42 pond gr.  In 1686 ontving hij volgende sommen:
 
kapittel van Doornik 40-18-9 pond gr.
  kapittel van Harelbeke
(over de tiende van Veldekens)
4-18-9 pond gr.
  pastoor van Zomergem 4-2-6 pond gr.

Bij dit bedrag ontving de pastoor dan nog een vast bedrag van 50 pond gr.  van Doornik en had hij nog recht op inkomsten van huwelijken, begrafenissen, giften e.d.  Blijkens een taxatielijst van 1330 opgesteld voor het bisdom Doornik wordt de parochie Oostwinkel geschat op 30 pond.  Slechts tien kleinere parochies in het Meetjesland moeten het met nog minder stellen.

In 1787 werd een gedetailleerde staat opgemaakt van de inkomsten waarover pastoor Franciscus De Rantere kon beschikken.  Het beneficie in questie, het pastoorschap van Oostwinkel dus, was niet dependent filiael of annex.

1.  Competeert pastorye van oostwynckel:
—  het huys pastoreel met hovynghen ende boomgaert 281 roeden
—  verschillende partijen land: 6 gemet 180 roeden verpacht voor 28 gld.  per jaar, den gulden aen 20 stuyvers
—  een half gemet zaailand op het gescheet der parochie en het Brugse Vrije bracht 6 gld per jaar op
—  een plecxken land op Adegem, up het bisdom Brugghe en sedert immemoriale tempore toebehorende aan de pastoor werd verhuurd voor 1 gld.
—  een slechten bosch, groot 333 roeden bracht toch nog op 10- 10-0 gld
—  een bos van 16 roeden op Adegem bracht 0-14-0 gld op.
    Totaal: 96- 4-0 gld

2.  Thienden en competentie pastoreel.
—  de pastoor profyteert het sesdepaert van de thienden of
(dit bedrag is het gemiddelde van de 10 laatste jaren)
266- 0-0 gld
—  tafelghelden en wynghelden 41- 4-2 gld
—  supplement pastorele competentie
(dit bedrag werd uitbetaald door het kapittel van Doornik)
216- 0-0 gld
—  item capittel over de novaele thiende
(...  welcke ick in het jaer 1758 aen het voorn capittel myn leven geduerende hebbe overgelaeten...)
66- 0-0 gld
—  thiendeheffers van den wyck Veldekensdam welckers inwoonders kerckelyck oostwynckel zyn, voor de bediening up denselfden dam
(de tiendeheffers zijn: Doornik, Harelbeke en Zomergem)
84- 0-0 gld
    Totaal: 633- 4-2 gld

3.  Ghefondeerde missen, tot laste van de kercke enden aermen

—  77 ghelesen ende ghesonghen missen 41-15-2 gld
—  5 loven betaelt met aelmoesen die aen onse lieve vrouw ghegeven worden 3-10-0 gld
—  18 missen voor de armen 16-18-3 gld
—  2 missen van reqiuem, elk 15 schellingen,
waermede belast is een hofstede staende ten dorpe van oostwyncle
4-10-0 gld
    Totaal: 66-14-1 gld

4.  Accidentele vervallen (het betreft hier gemiddelden van de laatste tien jaar)

—  huwelijken 14- 0-0 gld
—  dopen 6- 8-0 gld
—  begrafenis van kinderen en uytvaerten der communicanten en biechtpenningen te paeschen 84- 0-0 gld
—  helft van het was der uytvaerten 16- 0-0 gld
—  offerpenninghen 15- 0-0 gld
    Totaal: 135- 8-0 gld

Het totaal der inkomsten bedraagt: 961-10-3 gld.

De lasten die op de pastorij lagen waren de volgende:

—  jaarlijks aan Zomergem voor recognitie vanden sesden thienden schoof 48- 0-0 gld
—  een jaargetijde met het recht van de koster over het bos van 333 roeden 2- 5-0 gld
—  een heerlijke rente van twee hinnen en 1 capoen per jaar 1- 0-0 gld
—  spijkerrente à 1 oord per jaar 0- 0-1 gld
—  idem volgens de renteboek van de heer van Oostwinkel 0- 0-1 gld
—  aan de landdeken voor het seminarie van Gent 1-15-2 gld
—  lasten op gronden en bossen en het beste hoofd 5- 8-0 gld
—  het jaargetijde voor alle overledenen van de parochie op de maandag na de kerkwijding 1-10-0 gld
—  95 missen tot last van de kerk en de armen 38- 0-0 gld
—  alle zondagen en heiligdagen de hoogmis voor de parochianen (66 missen !) 26- 0-0 gld
    Totaal: 123-19-9 gld

Er bleef dus 837-11-3 gld over waar dan nog ten laatste de inkomsten van kerckganghen en paeschyren ten bedrage van 14 gulden dienen te worden bijgeteld, zodat we kunnen zeggen dat de pastoor over 851-11-3 gld per jaar kon beschikken, een niet geringe som.

In hetzelfde jaar, 1787 dus, werd ook een staat opgemaakt van de inkomsten van de kerk.  Jacobus Blondeel en Franciscus Roosemont waren er de declaranten van.

Zij merkten vooreerst op dat alle kerckegoederen syn verkocht ter cause van het placcaet van amortisatie.  Met de opbrengst van de verkoop werden renten "gemaakt" voor een totaal bedrag van 136-0-0 gld

De aelmoesen omghehaeld in de kercke, het gebruik van het baarkleed, het stoelgeld, de gersynghe van het kerkhof, de aelmoessen en offerhanden van onse lieve vrouwe en de zegeningen met de reliquien van den heyligen Joannes Baptiste, den heylighen Anthonius Eremeyt en den heylighen Eligius brachten jaarlijks op 83-3-0 gld
Het totaal aan inkomsten bedroeg dus: 219-0-2 gld.

De lasten waren de volgende:
—  77 gezongen en gelezen missen 45-15-2 gld
—  wassen en reparatie aan het lijnwaad 10- 0-0 gld
—  miswijn 22-10-0 gld
—  het prediken van de Passie op palmzondag door de paters Recoletten uit Eeklo 3- 0-0 gld
—  het vagen en kuisen van de kerk 18- 0-0 gld
—  de hondeslager 12- 0-0 gld
—  de koster over gefondeerde diensten 15- 1-2 gld
—  was en kaarsen op de altaren 24- 0-0 gld
—  olie: dag en nacht 35- 0-0 gld
—  wierook en communiebrood 12-15-0 gld
—  2 zakken roggebrood 12- 0-0 gld
—  aan de pastoor, koster en organist voor 5 loven op de avonden van de feestdag van O.L.-vrouw 7- 0-0 gld
    Totaal: 214- 2-0 gld

Er bleef dus slechts 4-18-2 gld.  over.  Aan de andere kant diende men dit bedrag te verhogen met 240 gulden over de waarde van 47 olmen bomen die op het kerkhof stonden.  Daartegenover diende de kerk dringend gewit te worden wat een uitgave van 120 gld.  zou meebrengen.

DE KERK VAN OOSTWINKEL

Over de vroegere kerk van Oostwinkel zijn er niet zo heel veel gegevens voorhanden.  Met de bouw van de huidige kerk zou men begonnen zijn in het midden van de 16e eeuw.  Daarvoor moet er reeds een ruime kapel in Oostwinkel bestaan hebben want tijdens de herstellingswerken is er een grafsteen aan het licht gekomen waarop we kunnen lezen dat er jaarlijks missen moeten worden opgedragen in de Sint Antoniuskapel.  Die grafsteen dateert van 20 december 1389.  Het kerkje dat op de kaart van Pourbus prijkt zou dan wel eens het oorspronkelijke kunnen zijn.  We zien er namelijk de toren, een middenbeuk en op de zuidkant een kapel: meer dan waarschijnlijk de Sint-Antoniuskapel.

In de 16e eeuw moet er dus een uitbreiding van het gebouw gebeurd zijn.  Waren het de twee zijbeuken die men toen gebouwd heeft ?  Dat die zijbeuken er later bijgebouwd zijn blijkt duidelijk uit hun constructie: de gevels eindigen waar de toren begint.  Dat beide beuken onder een afzonderlijk dak schuilgaan is een bewijs te meer voor hun latere bouwdatum.  Iedere zijbeuk is door zes vensters verlicht en wordt door vijf pijlers van de hoofdbeuk gescheiden.

De toren van de kerk vormt met de torens van Lembeke, Waarschoot en Sint-Laureins en de afgebroken toren van de vroegere kerk van Eeklo een karakteristieke groep van vroeggotische bakstenen westtorens in het Meetjesland.

De eerste steen van het huidige koor werd op 22 juni 1750 gelegd door Jonker Jan Walckiers.  Omstreeks hetzelfde tijdstip werd ook de toren grondig hersteld en werden de ramen van de zijbeuken aangepast: het gebouw kreeg een classicistisch uitzicht.  Het interieur van het gebouw werd eveneens aan die stijl aangepast.  In die periode grepen er ook veranderingswerken plaats aan het kasteel van Oostwinkel.  De stenen voor al deze werken werden gebakken op een stuk land dat eigendom van Walckiers was en aan de Langestraat lag: nu nog spreekt men er van de Steenovens.

Door al deze restauratiewerken vergde het onderhoud van het gebouw gedurende enkele tientallen jaren geen grote sommen meer.  Nu en dan diende die wel eens gewit te worden, werden vensters vernieuwd, kleine herstellingen aan de daken uitgevoerd, het houtwerk geverfd, kortom werd in het gewone onderhoud voorzien.

De kerk van Oostwinkel
In de loop van haar bestaan onderging de kerk menige verbouwing.  Nadat eerst de hoofd- en zijbeuken tot stand kwamen, werd in de 16e eeuw de toren gebouwd, in de 18e eeuw het koor en in de 19e eeuw de bergplaats en de sacristij.
(Cop. A.C.L.)

In de 19e eeuw grepen er indringender veranderingen plaats.  In 1816-1818 onderging het gebouw zelfs een hele gedaanteverwisseling.  Binnenin werden alle uitstekende delen van pilaren, bogen e.d.m. weggekapt en alle oneffenheden verwijderd.  Geen enkel obstakel mocht de geplande bepleistering in de weg staan.  Tonnen en nog eens tonnen kalk werden aangevoerd: gedurende twee jaar werd er duchtig "geplaffoneerd" !  Het koor werd dan nog eens apart onder handen genomen door meester Jan Heyse uit Eeklo.

Pas waren die pleisterwerken achter de rug of de toren diende dringend hersteld te worden.  Verschillende dekstenen lagen niet meer op hun plaats en insijpelend water betekende een allergrootst gevaar.  Tijdens die herstellingswerken nam men de gelegenheid te baat om een "horlogie" te plaatsen.  Dat kostte - in 1820 - 600 gulden, som die werd voorgeschoten door de pastoor en de burgemeester.

Al die werken waren nog maar achter de rug of de drie daken begonnen water door te laten.  Ook de buitenmuren lieten vocht door waardoor de kostbare bepleistering dreigde aangetast te worden.  De herstellingen dienden dan ook zonder verwijl te gebeuren.  Voor het toch al niet zo rijke Oostwinkel waren dat telkens serieuze aderlatingen.

We moeten tot de eerste wereldoorlog wachten eer er nog iets noemenswaardigs over de kerk te vertellen valt.  Tijdens de gevechten langs het kanaal kreeg het gebouw het erg te verduren.  Verscheidene obussen drongen binnen door de daken die ernstige schade leden.  Alles werd voorlopig hersteld.  Na de oorlog werd de schade op 82.000 frank geschat.  Tijdens de definitieve herstellingswerken droeg pastoor Bohijn mis op in de kapel van het klooster.

Een volgende zware klap werd toegebracht door de wervelstorm die Oostwinkel op 29 juni 1936 trof.  Bijna het hele dak werd weggeblazen.  De kerkraad diende geld te lenen bij particulieren en haar titels van oorlogsschade te verkopen.  Pastoor Matthys nam het hele bedrag van de lening op zich.  Na zijn overlijden bleek dat hij de kerk alles had kwijtgescholden.

Na de tweede wereldoorlog werd het gebouw nog maar eens opgelapt.  Grondige restauratie bleef echter uit.  Het gebouw was de naam kerk niet meer waardig.  Pastoor Plaetinck (1954-1969) was nog maar pas enkele maanden benoemd op Oostwinkel of hij liet reeds een dossier samenstellen over de desastreuze toestand waarin zijn kerk zich bevond.  Het hele gebouw werd opgemeten, foto's genomen en van de staat kwamen hoopvolle beloften.  Volgens architect Van Den Bulcke uit Wondelgem was het echter niet meer mogelijk de kerk te restaureren.  Met uitzondering van de toren en het bestaande koor zou het gehele gebouw afgebroken worden.  De kosten voor de nieuw te bouwen kerk zouden ongeveer drie miljoen frank bedragen.  Dezelfde architect had ook eens berekend hoeveel een restauratie wel zou kosten: hij kwam tot een cijfer dat verschillende keren dat van een eventuele nieuwbouw overtrof.

Gelukkig maalt de administratieve molen langzaam !  In 1962 leek dan toch alles in kannen en kruiken: Oostwinkel zou een nieuwe kerk krijgen.  Maar ondertussen had de Commissie voor Monumenten en Landschappen een en ander vernomen over de nieuwbouw.  Gelukkig voor Oostwinkel gingen dank zij die Commissie, de nieuwbouwplannen niet door !

Het hele zaakje begon opnieuw van voren af.  Met onverdroten ijver zette KH.  Plaetinck zich opnieuw aan het werk.  Nieuwe opmetingen, nieuwe plannen, nieuwe dossiers, kortom, het gehele administratieve apparaat werd opnieuw doorlopen.

De kerk bleek nu wel in haar oorspronkelijke vorm hersteld te kunnen worden.  Het gebouw was ondertussen gesloten, want brokken pleisterwerk kwamen van het plafond naar beneden gedonderd.  De diensten werden opgedragen in de parochiezaal.

In november 1973 (pastoor Plaetinck was overleden in februari) verschenen eindelijk stalen steigers rondom de kerk.  De gehele bevolking van Oostwinkel zuchtte van verlichting.  Bekwame restaurateurs toverden het vervallen gebouw om tot een der mooiste bedehuizen uit het Meetjesland.  Ze werkten er dan ook jaren aan en het kostte hen heel wat energie.  In feite mag Oostwinkel blij zijn dat de administratie zo langzaam werkt, zoniet stond er een kerk die totaal uit de toon viel.

BEZOEK AAN DE KERK

Bij het binnenkomen van de kerk worden we onmiddellijk getroffen door het stemmig interieur.  Links en rechts bemerken we de imposante "lijst" die in het begin van de 19de eeuw geplaatst werd door schrijnwerker Pieter Steyaert.

Het is trouwens achter deze lambrizering dat een zeer oude grafsteen ontdekt werd.  Deze grafsteen vinden we achteraan in de rechterzijbeuk.  In mooie gotische letters wordt vermeld dat een zekere Vranke een rente schonk aan de armen van Oostwinkel.  In ruil daarvoor moest er elke maandag een mis worden opgedragen in de Sint-Antoniuskapel.

Verder moest er op elke Sint-Antoniusdag een jaargetijde worden opgedragen met uitdeling van koeken en wijn aan de armen.  Mocht het gebeuren dat er een kapelaan in Oostwinkel kwam dan zou die een bepaalde vergoeding ontvangen voor het opdragen van de zondagse vroegmis.  De H. Geestmeesters dienden nauwlettend toe te zien op de uitvoering ervan.  De gift gebeurde op 20 december 1389.

Ongeveer op de plaats waar de steen is aangebracht bevond er zich vroeger een zijportaal.  Aan de buitenzijde van de kerk is dat nog duidelijk te zien.  Dit portaal is er meer dan waarschijnlijk aangebracht tijdens herstellingswerken aan de toren in 1750.

Het altaar toegewijd aan O.L.-Vrouw werd in 1858 volledig vernieuwd door Eduard Steyaert.  Het is een houten portiekaltaar met een schilderij voorstellende O.L.-Vrouw die rozenkransen uitdeelt aan de H.  Dominicus Guzman en andere geestelijke en wereldlijke personen.  Het doek werd in 1981 grondig geretoucheerd.  Het zou dateren uit de 18e eeuw.

In de nis boven het altaar stond tot in 1944 een beeld van de H.  Jozef.  Volgens een in 1883 opgemaakte inventaris bevonden er zich toen volgende beelden in de kerk: O.L.- Vrouw, H.  Aloysius, H.  Franciscus, H.  Barbara, H. Coleta en de H. Antonius.  Voor deze laatste heilige bestond er reeds van oudsher een grote verering in Oostwinkel.  Tegen de buitenmuren van de kerk hangen kapelletjes waarop we de voornaamste episoden uit het leven van de heilige zien.  Ze zijn van de hand van Serafien Goethals uit Adegem.
In een zijkapel stond hier in 1661 een "aultaer van Sente Antheunis" dat toen volledig vernieuwd werd.  Het was de Gentse schrijnwerker Marcus Van Daele die dit karwei opknapte.  Het schilderij dat toen boven dit altaar hing was een werk van een zekere meester Gilis uit Gent: de kerkmeesters betaalden er 9 pond voor.

De communiebank is een werkstuk van een zekere Filip Begyn.  Hij vervaardigde hem in 1766, dus na de grote verandering van de kerk.  De fraai gesneden bank heeft een ware lijdensweg achter de rug.  Oorspronkelijk stond hij net zoals nu, over de gehele breedte van de kerk.  Door verschillende op elkaar volgende modetrends of liturgische vernieuwingen veranderde hij in de loop van de 19e eeuw meer dan eens van plaats.  De panelen waren her en der verspreid: vier ervan deden dienst als ballustrade voor het doksaal, later deden twee panelen dienst als kastdeuren.  In 1883 worden slechts twee bas-reliëfs vermeld: "de voetwassching en het laatste avondmaal uytgevoerd in voortreffelijk snywerk..." De bank stond dan nog in het koor in plaats van in het schip van de kerk.  Pas in het begin van de 20ste eeuw werden alle panelen opnieuw tot één geheel samengevoegd.

In het in 1750 gebouwde koor staat het hoofdaltaar centraal.  Het is een portiekaltaar met in de nis een beeld van de H.  Johannes de Doper (of is het een beeld dat de Goede herder voorstelt ?).  Het schilderij dat ons zeer realistisch de onthoofding van Johannes de Doper voorstelt wordt toegeschreven aan Jan Van Bronckhorst, bijgenaamd Lange Jan.  Een of andere herder van Oostwinkel vond het doek niet al te zedig: vooral aan de vrouw nam hij aanstoot en liet er dan ook een broche bijschilderen.  Het doek zou vroeger spitsvormig zijn geweest, het zou aan de vorm van het altaar zijn aangepast.  Waarschijnlijk is dat gebeurd in 1842 toen Eduard Steyaert het geheel grondig herstelde en het houtwerk "merberiseerde".

In een kerkrekening uit 1661 staat dat er in dat jaar een nieuw hoofdaltaar werd geplaatst.  Marcus Van Daele vervaardigde het voor de som van 28 pond gr.  De reeds eerder genoemde Gentse schilder Gillis konterfeitte toen ook een nieuw doek waarvoor hij 18 pond grooten ontving.

In het koor bemerken we verder nog mooie kandelaars die werden geschonken door kerkmeester Carolus van Vlaanderen (1879).  Het processiekruis is een gift van Rosalie Neyt ter gelegenheid van haar huwelijk met Johannaes-Baptiste Neyt in 1865.  Leden van de familie Neyt begiftigden de kerk van Oostwinkel rijkelijk: de zilveren ampullen werden geschonken in 1861, een glasraam met als onderwerp de Opdracht van Jezus in de Tempel kreeg zijn plaats in 1920.  De kerkmeesters- en armmeestersbanken doen vandaag de dag geen dienst meer, maar vroeger zorgden die meer dan eens voor ernstige moeilijkheden.  De godslamp in het koor is ook al een gift van de familie Neyt (geschonken in 1866).

Rechts in het koor is er een deur die toegang verleent tot de winterkapel, links komt men in de sacristij.  Vlak voor deze beide toegangsdeuren zien we de grafstenen van respectievelijk pastoor Franciscus De Rantere en pastoor Martinus Loobuyck.

In de sacristij bemerken we mooie eikenhouten kasten.  Een der deuren heeft een kleiner raadselachtig deurtje in het midden.

Het voornaamste liturgisch vaatwerk omvat:
—  een zilveren kelk met op de voet de buste van de HH.  Vrouwen, 18e eeuw
—  een zilveren kelk in 1872 aangekocht bij Jan Van den Eynden voor 500 fr.  Op de voet in medaillon, zien we Jezus aan het kruis.
—  een vergulde kelk in neo-gotische stijl die fel in de mode was vorige eeuw, de kelk is overdadig versierd.
—  een zilveren monstrans uit 1778, werk van een onbekend Oudenaards meester met op de voet vier taferelen uit het leven van Johannes de Doper in medaillon en boven de greep het Lam van de Apocalyps.
—  een zilveren wierookvat met bijhorend scheepje, aangekocht in 1845.
—  zilveren ampullen, in 1861 geschonken door Franciscus Neyt.

Andere cultusobjecten zijn dan nog:
—  een zilveren reliekhouder van Sint Elooi daterend uit 1737, geschonken door een onbekende parochiaan.
—  een houten reliekhouder van de H.  Antonius.
—  een reliekhouder van hout, zilver en glas uit 1765, Oudenaards werk.
—  een missaalhouder met zilveren beslag.
— 

zilveren canonborden die in 1870 geschonken werden door begijntje Johanna Theresia Van Vlaanderen.

Verder worden er in de sacristij nog enkele stellen mooie kazuifels bewaard alsook enkele alben die afgebaard zijn met fijne kant.  Ook enkele verzilverde kandelaars en vergulde houten kandelaars uit de 18e en 19e eeuw verdienen even onze aandacht.  We zien dan tenslotte nog voorwerpen waar velen met een nostalgische blik zullen naar kijken: de hellebaard van de Suisse, de roede van de kerkbaljuw, de krekels van de misdienaars, de potjes om de biechtpenning in te deponeren enz.

Schilderij de H. Eligius door A. De Baets
Het altaar in de linkerzijbeuk is toegewijd aan de H. Eligius.  Rond 1750 werden pogingen ondernomen om een Confrerie van Sint Elooi op te richten.  Het schilderij dat het altaar versiert is van de hand van A. De Baets, Gents schilder, die het doek in 1824 schilderde.
(Cop. A.C.L.)

In de linkerzijbeuk staat het altaar toegewijd aan de H.  Eligius.  In de nis zien we de buste van de heilige met daaronder het schilderij dat A. De Baets uit Gent in 1826 schilderde en dat in geen al te beste toestand verkeert.  Het altaar van de H. Antonius dat zich na het bouwen van beide beuken hier bevond moest dus plaats ruimen voor deze meer populaire heilige.  Midden 18e eeuw werd de Confrerie van Sinte Looi opgericht door den Eersaemen Broeder Joannes Dobbelaere.  Het had heel wat voeten in de aarde eer dit broederschap tot stand kwam.  De pastoor diende verschillende keren naar de deken en de bisschop te schrijven om de confrerye van den geseyden eloy canonicquelyck up te rechten.

Een bas-reliëf op de preekstoel
De kuip van de 18e eeuwse predikstoel is versierd met drie bas-reliëfs uitgevoerd in marmer.  Pastoor Cattoir vond ze allerfraaist, alhoewel niet volkomen zedig.
(Cop. A.C.L.)

Op de kuip van de 18e-eeuwse preekstoel zien we wit-marmeren panelen voorstellende een Piëta, Christus die zijn Apostelen uitzendt en de Rust tijdens de vlucht naar Egypte.ln 1840 schreef pastoor Cattoir dat de preekstoel geheel behoorlyk van eyken hout was, voorzien van dry marmere stukskes aller fraeyst gesneden alhoewel niet volkomen zedig.

Beide biechtstoelen uit de kerk zijn van de hand van Jean-Francois De Smet uit Eeklo.  Cattoir vindt ze maar zus en zo, en hij zou liever gehad hebben dat de oude bewaard waren gebleven.  Die oude biechtstoelen waren namelijk verkocht om er de nieuwe mee te kopen.

De doopvont heeft een arduinen voet uit de 16e eeuw, een stenen middenstuk uit de 17e eeuwen een houten kuip uit de 19e eeuw.  Het koperen deksel is van recente datum.  Een bont allegaartje.

Tenslotte bemerken we boven het 18e eeuws doksaal het totaal vervallen orgel dat een werk is van de bekende orgelbouwersfamilie Van Peteghem.  Onkunde en te laat ingrijpen maakten dat dit orgel vandaag onherstelbaar verminkt lijkt te zijn.  Een restauratie zou enkele honderdduizenden frank bedragen.  Er zal dus naar een nieuw dienen te worden uitgekeken !  Aan de orgelkast zijn er delen die nog van het oude orgel afkomstig zijn.  De twee schilderijen onder het doksaal zijn van geen waarde.

De kruisweg, aangekocht in 1876 is geschilderd door Frans Cleyman naar de kruisweg die in de kapel van de Recoletten hangt in Leuven.

Oostwinkel is een van de weinige kerken waar het kerkhof nog rond de kerk ligt.  Dit kerkhof was jarenlang een voorwerp van twist tussen de pastoor en enkele Oostwinkelnaren die uitweg hadden op het kerkhof.  De pastoor wou dat er geen enkele erfdienstbaarheid op het kerkhof zou rusten, maar kon toch niet beletten dat de uitwegen "verdempt" werden.  Het was een netelige kwestie die tot op de dag van vandaag nog niet volledig in het reine is getrokken.

Aan de rechterkant van de toren hangt de klassieke Calvarie met daarvoor de plaats waar de beenderen, van het kerkhof afkomstig, werden gedeponeerd.
Wat verder bemerken we de witstenen omlijsting van het vroegere zijportaaltje.  Aan de buitenkant van het koor zien we het verweerde wapenschild van de familie Walckiers die, zoals gezegd, de bouw van het koor bekostigde.  Daaronder is een beeld van Antonius, abt.

Rondom de kerk hangen ook de kapelletjes van de H.  Antonius die we reeds vermeldden.  Het soldatenkerkhof herinnert er ons aan dat er tijdens de oorlog heel wat soldaten sneuvelden bij de gevechten aan het Schipdonkkanaal.

De klokken in de toren zijn er gekomen dank zij de inzet van oudburgemeester Leon Van Haele.  Ze werden in 1958 in de toren gehangen.  De oudste vermelding van een klok vonden we in 1682: toen werd een klok door de parochianen aangekocht.

PAROCHIALE PROBLEMEN

Naast de reeds geciteerde moeilijkheden omtrent een erfdienstbaarheid op het kerkhof waren er wel meer moeilijkheden tussen parochie en gemeente of tussen de Oostwinkelse herder en zijn schapen.  Zo met pastoor Jan Teirlinck die op 23 augustus 1566 de beeldenstorm leidde in zijn eigen parochiekerk !  Op die fameuze zaterdagmorgen had zich een bende van een vijftigtal mensen verzameld voor de kerk deur waar zij stonden te roepen en te tieren om binnen te geraken.

Pastoor Teirlinck bevond zich tussen het volk met een blyde aensicht en al lachende.  Hij had gedacht dat hij gheen volck en zoude hebben connen ghecryghen om te brecken, maer hier esser ghecommen.  Toen klokluider Francies Teirlinck de deur van de kerk opende om de klokken te luiden sprong de roepende en tierende bende met geweld binnen.  In een minimum van tijd werd de inboedel aan diggelen geslagen, werden misboeken verscheurd en relikwieën vertrappeld.  Onderwijl riep de pastoor luidkeels het moet al vuyts, het moet al wech, we sullen de Santen al af buysschen.  Nadat dat ook gebeurd was beklom een uitgelaten herder de kansel om de mensen te bedanken omdat tal wel ghedaen was ghemerct dat toch al afgoderye was...

Toen in 1614 de parochie Ronsele tijdelijk met Oostwinkel werd verenigd zorgde dat ook voor hilaritante moeilijkheden tussen de pastoor en Casenbroodt, heer van Ronsele.  Vooral de sleutelhistorie is in dat verband merkwaardig (zie: Geschiedenis van Ronsele).

Verdwenen kapel in de Langestraat
Verdwenen kapel langsheen de Langestraat.
(Foto Heemschut)

In de 19de eeuw ontstonden er wrijvingen met Adegem omdat Oostwinkel een deel van die parochie wou annexeren.  De poging van 1803 mislukte; ook die van 1854 kende geen succes, alhoewel heel wat notabelen van Adegem de petitie steunden: Wy smeeken te mogen worden ingelyfd bij de gemeente Oostwinkel voor wat het godsdienstige bestuur betreft.  O !  Wat al moeilykheden en ondervinden wy des winters niet !  Wij moeten door slechte en ontoegankelijke wegen, in het koudste van den winter, somwylen in het midden van de nacht.  De kinderen moeten voor hunne eerste communie tweemaal per week naar Adegem.  O !  Wat lyden en wat ongevallen trekken die arme schepseltjes zich om den hals niet !
Alle pogingen liepen tot dan toe falikant uit: eerst in 1940 werd een kleine grenswijziging doorgevoerd die geen van beide partijen kon bevredigen: Oostwinkel kreeg te weinig, Adegem gaf te veel !

Meisjesschool, ingehuldigd in 1883
De schoolstrijd van vorige eeuw liet ook zijn sporen na in Oostwinkel.  De school in de tuin van de pastorij diende ontruimd te worden.  Pastoor Van der Naillen liet het daarbij niet zitten: reeds op 17 december 1883 kon een nieuwe meisjesschool worden ingehuldigd.
(Foto Walter Notteboom)

In 1840 beklaagt pastoor Cattoir er zich over dat er zich ter gelegenheid van de verkiezingen heel wat kwalijke zaken op Oostwinkel hebben afgespeeld.  Vooral omkoperij en het doen van valse beloften vond de pastoor verderfelijk.  Ook de drinkeboers die zich dag (en nacht) in een van de vele herbergen ophielden en er twist en ruzie stookten waren een doorn in het oog van de pastoor.  De onwetendheid en de argeloosheid waarmee sommige mannen een huwelijk aangingen vond pastoor Cattoir allerbedenkelijkst.

Onder het pastoorsschap van Gaspar Van Beurden namen de kerkmeesters, tegen de wil van de pastoor in, de wel zeer eigenaardige beslissing dat sommige ingezetenen hun kerkstoel met een ijzeren ketting aan een pilaar mochten vastleggen.  Bij ons weten een uniek privilegie in onze streek.

Per stoel diende er jaarlijks 5 frank te worden betaald en in maart 1873 kon het eerste geld van de "stoelen op ketinge" worden ingeboekt.

Dat het tussen pastoor Van Beurden en burgemeester Loontjes niet al te goed boterde bleek uit een beslissing van het schepencollege die genomen werd in 1880 en waarbij koster Rudolf Carnuwal als klokluider werd afgezet en een zekere Lataire in zijn plaats werd aangesteld.  De kerkraad protesteerde daar zeer heftig tegen, want iedereen was de mening toegedaan dat de koster zijn ambt met stiptheid en nauwgezetheid uitvoerde.  Daarbij meenden de kerkmeesters dat er omwille van de veiligheid niet te veel verschillende personen toegang tot de kerk mochten krijgen.  De beslissing van het schepencollege legde de kerkraad naast zich neer.  Na dit incident woonde burgemeester Loontjes geen enkele vergadering van de kerkraad meer bij.

Pastoor Van Beurden, een "heilige en minzame priester" gaf in september 1881 zijn ontslag om directeur te worden in het klooster van Sleidinge.  De pastoor had het bepaald niet gemakkelijk met sommige van zijn eigenzinnige schapen.  De moeilijkheden met het kerkhof, de beginnende schoolstrijd en de wrijvingen met het gemeentebestuur werkten zijn ontslag zeker in de hand.

Pastorij gebouwd in 1756
De voorname pastorij werd in 1756 gebouwd door toedoen van pastoor De Rantere en dank zij een gift van het Kapittel van Doornik.
(Foto Walter Notteboom)

DE PASTORIJ

Op 27 april 1756 werd de eerste steen van de huidige pastorij gelegd door pastoor Franciscus De Rantere.  De oude pastorij die rechtover de huidige stond was veel te klein en helemaal vervallen en werd dan ook na de nieuwbouw afgebroken.  Van die oude pastorij weten we nog dat pastoor Ernest Michiels er in 1651 een kamer had laten bijbouwen, waardoor de pastorij belast werd met het jaarlijks celebreren van een jaargetijde ter nagedachtenis van pastoor Michiels.  Nadat de oude pastorij afgebroken was meende pastoor De Rantere dat hij niet meer verplicht was het jaargetijde op te dragen en hij vroeg dan ook aan de bisschop om ervan ontslagen te worden, omdat de voorseyde camere van het oudt huys niet meer en existeren synde ten jaere 1756 door de heeren van het capittel van Doornyk, thiende heffers tot Oostwynckel (die 2000 gulden gaven), ghemaeckt een heel nieuw Pastoreel huys.  In 1780 verkreeg De Rantere de toelating om het jaargetijde te schrappen.

Tijdens de Franse tijd werd de pastorij enige tijd aangeslagen om dienst te doen als "mairie", maar werd enkele maanden later teruggegeven.

Nauwelijks was pastoor Jan Baptist Gevaert in 1840 gestart met uitbreidingswerken aan de pastorij, of hij overleed.  Zijn opvolger, Dominicus Cattoir zette de werken verder.  De kosten van de veranderingen werden voor de helft gedragen door het gemeentebestuur, de kerkraad nam een vierde op zich en de rest zou men pogen bij elkaar te krijgen door "spaerzaemheden".

Pastoor Cattoir wou meer dan zijn voorganger !  In 1841 stelde hij zijn kerkmeesters voor het pastoreel huys met eene chineesche kappe in oorboom te laten bouwen omringd met eene goot in sinc.  Cattoir zou zelf voor de nodige fondsen zorgen.  Ook vroeg denzelfden heer dat er eene zolderinghe of plancher in grenen deel gelegd worde, mits den ouden voor de derde statie of opperste te gebruyken.  Aannemer Jan Baptist De Sutter vroeg daarover na afrekeninghe en in consideratie dat hij alzoo de tweede zoldering of ouden plancher niet repareren en geenen nieuwen abelen op het opperste leggen moet de som van 320,52 fr.  of 180 guldens courant geld.  De pastoor betaalde daarvan 76,40 fr., de rest werd door de kerkfabriek gedragen zohaest deszelfs middelen dit zullen toelaten.

Dominicus Cattoir bschrijft zijn pastorij als volgt: "Dit huys is gebouwen ten noorden van de Kerk, in de Kasteeldreve recht op de Kerk, eerst met eene stagie voor 2000 guldens courant door het kapittel van Doornyk ten jaere 1756 op de overzijde van de oude pastorij die afgebroken is, alsnu den hof van J.B.  Van de Weghe tegen het kerkhof zijnde.  Ten jare 1841 is er eene tweede stagie opgezet voor de somme van 2450 francs behalve hetgeen er nog bijgelegd is voor veranderinge in het plan en onvoorziene noodigheden bedragende omtrent 550 francs.  De stallingen zijn door Mr Tollenaere gebouwen ten zijnen koste.  De Pastorij heeft vier plaatsen in de onderste stagie, vijf op de bovenste, met in totaal 17 vensters, twee deuren, eene van vooren en eene lanst achter.  Er is enen gang van onder en boven, het dak ligt rondom in ene gote en de regen valt in eenen regenbak ten noorden.  Het huys staat in het midden van de erve en is gebouwen met eene chineesche kappe".

Enkele gebeurtenissen

Hoewel niet talrijk toch zijn er wel enkele gebeurtenissen het vermelden waard.  Vooreerst is er de historie van Maarten of Martin De Smet.  De Potter en Broeckaert vermelden hem als enig verdienstelijk man van Oostwinkel.  Volgens hen zou hij in de loop van de 16de eeuw te Oostwinkel geboren zijn.  Gedurende meer dan 6 jaar reisde hij door Italië om er oude monumenten en kunsten te bewonderen.  Hij verzamelde terzelfdertijd een massa antieke geschriften.  Hij keerde met een rijke schat naar Vlaanderen terug en maakte zijn aantekeningen klaar om te worden gedrukt.  Onze Maarten De Smet was ondertussen pastoor geworden te Sleidinge.  Tijdens een reis naar Oostende werd hij door rovende soldaten overvallen die hem alles afnamen wat hij bezat, ook zijn kostbaar handschrift.  Al de kostbaarheden werden in Londen bij toeval verkocht aan enige heren van de universiteit van Leiden.  Deze gaven het handschrift aan Justus Lipsius die het werk afmaakte en het liet drukken bij Plantyn.

Maarten De Smet werd door het noodlot achtervolgd !  Bij een tocht naar Dendermonde werd hij door Spaanse soldaten aangehouden.  Zij meenden met een geus te doen te hebben en hingen de ongelukkige op aan een boom.  Tot zover het verhaal bij De Potter en Broeckaert.

Over deze Martin De Smet vonden wij echter nog het volgende !  In 1550 was hij pastoor te Oostwinkel en in 1560 is hij pastoor te Sleidinge.  Hij verbleef slechts 5 jaar in Sleidinge, dus tot 1565.  Twee jaar later wordt hij als apostaat opgeknoopt te Mechelen.  Het vonnis werd uitgevoerd op 8 februari 1567.

Of het verhaal van De Potter fantasie is zal nog verder onderzocht dienen te worden.  In elk geval was het een ontwikkeld man die nu en dan een gedicht neerpende !

(Lezers die meer willen vernemen over deze figuur nemen Ons Meetjesland, 1982, nr. 2, blz. 91-94).

Oostwinkel dorp kort na de oorlog
Dorp van Oostwinkel kort na de oorlog.
(Verz.  Alfons Ryserhove)

Op 4 oktober 1572 heeft er een treffen plaats tussen de bende van Blommaert en enkele koningsgezinde soldaten.  Geuzenleider Blommaert kwam van Oudenaarde en wou zich naar Zeeland begeven om er zijn goederen en zichzelf in veiligheid te brengen.  Nauwelijks was hij met een zeventiental trawanten in Oostwinkel aangekomen of ze werden overvallen door karabiniers.  De geuzen verschansten zich in een hoeve van het Sint-Janshospitaal, het Sint-Janssteen genaamd.  Er werd wat heen en weer geschoten waarbij vier soldaten het leven lieten.  Met veel moeite raakte men dan toch over de wallen en de gebouwen werden in brand gestoken.  Het merendeel van de ongelukkigen kwam in de vlammen om.

Op het einde van de 17de eeuw had Oostwinkel het erg hard te verduren.  Van 1685 tot 1695 betaalde de gemeente zich blauw aan allerlei contributies opgelegd door vreemde troepen.  Het leven werd zo gevaarlijk dat het onmogelijk was er nog individueel uit te raken: de gemeente diende solidair in te gaan op de eisen van de vijand, op die manier kon men misschien toch nog het hoofd boven water houden.  In Oostwinkel kwamen dan ook op 24 april 1689 al de notabelen samen om zich te beraden over de penibele toestand waarin hun gemeente zich bevond.  Men vreesde exorbitante contributien, brandschattinghen, pillagien, jaa oock ghevanck van menschen en beesten als andere executien ende extresien.  Daarom beloofde iedereen hulp tot iders welvaert, fusie ende securiteyt.

In 1696 had er een incident plaats dat gelukkig geen erge gevolgen had !  Op 27 juni van dat jaar bevond er zich een soldaat van het regiment van Graaf de Noyelle op het dorp van Oostwinkel.  Blijkbaar maakte hij het wat te bont want hij werd geslagen met een persaeck.  Gans Oostwinkel wist wie de dader was, maar men zweeg als een graf.  De soldaat moet nogal goed zijn getroffen, want hij was buyten staet van te connen dienst doen.  Als represaille werd Jan Veltganck aangehouden.  Die kon echter een sluitend alibi voorleggen en werd vrij gelaten.  Oostwinkel werd toen veroordeeld om elke dag één schelling te betalen en dit zolang tot de soldaat algeheel hersteld was, tenzij sij liever hadden te leveren den ghonnen die den voorschreven slagh heeft ghegeven.

Landelijke rust en eenvoudige devotie
Landelijke rust en eenvoudige devotie hoeft men in het dorp niet ver te zoeken.
(Foto Walter Notteboom)

De bewuste slag nu was toegebracht door Jan Roegiers.  Diens vader kende angstige dagen.  Hij seyde seer bevreest te zijn dat de voorseyde preuve van misdaed tot laste van synen seune, in sulcx ghevallen hy wel soude connen opghebracht worden.  Niemand sprak echter zijn mond voorbij en men dacht er vanaf te zijn met te betalen.  Graaf de Noyelle was echter ferm ontstemd omdat men de dader niet kon ontdekken.  De soldaat in kwestie was echter reeds lang hersteld waarop men in Oostwinkel besloot dat het de graaf er enkel om te doen was de prochie oncosten te doene.  Men besloot hem dan maar een present te senden voor syne keucke, zo meende men de prochie te ontlasten van voorder confusien.  Waarschijnlijk was de Noyelle tevreden met het geschenk want er werd verder niet meer over de zaak gesproken.

Een eeuw later, in 1790, zijn er heel wat Oostwinkelnaren die deelnemen aan de opstand tegen de Oostenrijkers.  Er wordt een vrijwilligerskorps opgericht dat deelneemt aan een bijeenkomst te Gent.  De patriottenbeweging was echter geen lang leven beschoren, want de Oostenrijkers kwamen nog eens terug om dan in 1794 definitief door de Fransen verjaagd te worden.  Een leger van om en bij de 15.000 man trok door Oostwinkel en omliggende parochies in de richting van Gent.  De soldaten pleegden onderweg baldadigheden en diefstallen.  De "vrouwspersonen" waren beslist niet veilig voor de dertele baldadigheden der soldaten.

Waar ieder Oostwinkelnaar vandaag de dag nog bijzonder goed kan over vertellen is de wervelstorm die de gemeente teisterde omstreeks drie uur in de middag van 29 juni 1936.

Vanaf Bellem trok deze orkaan een spoor van vernieling tot voorbij de Sint-Jansdreef in Eeklo.  In Oostwinkel begon het spel aan de Pastershuizekens in de Sint-Jansstraat.  Verschillende schuren en hofsteden leden zware schade en menig boomgaard werd met de grond gelijk gemaakt.  De storm verplaatste zich dan razendsnel boven de Veldhoek om met volle geweld door het centrum te razen.  De schade bleek enorm.  Huizen, schuren, bomen en de oogst op het veld werden in een minimum van tijd verwoest.  In de kerk waren heel wat gelovigen samen gekomen om er de vespers bij te wonen.  Het was immers Sint-Pietersdag.  Onder de aanwezigen brak paniek uit.  Huilend en tierend wilden een twintigtal kinderen de kerk verlaten maar werden gelukkig tegengehouden door Jan Steyaert, de kerkbaljuw.  De ramp was niet te overzien geweest want de storm had het kerkhof grondig vernield.  Zware grafstenen lagen her en der verspreid.  De haan van de toren vond men later terug in de dreef, waar de schade ook al niet te schatten was.  Midden al dat onheil maakte men enkele onverklaarbare zaken mee waarover men nu nog met ontzag spreekt.

Zo werd bij landbouwer Goossens in de Veldhoek de hele boomgaard met de grond gelijk gemaakt.  Alleen een dikke tak van een appelaar waaraan een kapelletje hing bleef intakt.  Zelfs het beeldje was niet omvergevallen.  In een ander gezin stortte het dak naar beneden waarbij de hele huisraad werd vernield.  Enkel de glazen stolp met kruisbeeld die op de schouw stond bleef ongeschonden.

De Oostwinkelnaren kunnen nog heel wat andere verhalen vertellen over "hun" wervelstorm.  Het was en blijft de gebeurtenis die bij velen nimmer uit het geheugen zal gewist worden.

In de meidagen van 1940 werd de gemeente opnieuw zwaar beproefd.  De Belgen hielden niet minder dan drie dagen stand achter het Schipdonkkanaal maar moesten dan tenslotte toch wijken voor de Duitse overmacht.  Gebrek aan materiaal (vooral vliegtuigen ontbraken) dwongen de Belgen tot de aftocht.  Toen de Duitsers de gemeente binnendrongen werd heel Oostwinkel onder vuur genomen door de Belgische artillerie die in de bossen van het Drongengoed verscholen zat, maar ook dat mocht niet baten.  Er viel één burgerlijk slachtoffer.  Onder de Belgen noteerde men 62 gesneuvelden en ook bij de Duitsers waren de verliezen niet gering.

Een laatste voorname gebeurtenis die we nog moeten vermelden is de fusie met de gemeente Zomergem.  Op 1 januari 1977 eindigde de zelfstandigheid van Oostwinkel.  Na ongeveer 180 jaar "zelfbestuur" werd de gemeente overgenomen door Zomergem.

Hugo Notteboom

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977 - 1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

De home page van "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MPL-logo

Copyright notice
hit counter


Meest recente bijwerking: